Ook regels moeten hun bestaansrecht bewijzen


Elke ondernemer moet aantonen dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Een zorgverlener moet verantwoorden welke zorg is geleverd. Burgers moeten bewijzen dat zij recht hebben op ondersteuning. Maar hoe vaak moet de overheid aantonen dat haar regels nog nodig zijn, daadwerkelijk werken en hun maatschappelijke kosten rechtvaardigen?

Een regel kan jarenlang blijven bestaan terwijl de omstandigheden waarvoor hij werd geschreven allang zijn veranderd. Organisaties richten hun procedures erop in. Toezichthouders controleren de naleving. Professionals leren ermee omgaan. Zo ontstaat een werkelijkheid waarin de vraag of iets volgens de regels gebeurt meer aandacht krijgt dan de vraag of die regels nog helpen.

De Amerikaanse staat Idaho laat zien dat een andere benadering mogelijk is.

In 2019 introduceerde gouverneur Brad Little (ondernemer) via een gouverneursbesluit de Red Tape Reduction Act. Overheidsinstanties moesten voor iedere voorgestelde nieuwe administratieve regel minstens twee bestaande regels aanwijzen die konden worden ingetrokken of aanzienlijk vereenvoudigd. Eind dat jaar meldde het gouverneurskantoor dat 75 procent van de administratieve regels was geschrapt of vereenvoudigd. Geen afschaffing van driekwart van alle wetten, maar wel een omvangrijke herziening van bestaande voorschriften.

De vervolgstap was fundamenteler. In 2020 verving Idaho deze aanpak door Zero-Based Regulation. Bestaande regelingen moesten periodiek opnieuw worden beoordeeld. Bereikten zij hun beoogde doel? Rechtvaardigden de baten de kosten? Waren er minder beperkende alternatieven? Het uitgangspunt was dat een regeling niet zonder grondige beoordeling opnieuw mocht worden vastgesteld.

Daar zit de betekenis voor Nederland en Europa: de regelgever moest zelf verantwoording afleggen over de noodzaak van zijn bemoeienis.

In 2024 rapporteerde Idaho dat het aantal pagina’s administratieve regelgeving sinds 2019 was teruggebracht van 8.553 naar 5.318, een vermindering van ongeveer 38 procent. Minder pagina’s bewijzen op zichzelf geen betere economie of betere publieke dienstverlening. Daarvoor moeten we de werkelijke gevolgen onderzoeken. Maar de ingreep toont wel dat een bestuur bestaande regelgeving op grote schaal kan heroverwegen.

Die noodzaak tot heroverweging zie ik dagelijks in de praktijk. Neem de palliatief terminale thuiszorg (PTT) in onze regio, Noord-Nederland. In onze regio zien wij geen tekort aan beschikbare PTT-capaciteit. Onze knelpunten zitten vooral in de rigiditeit van sommige verzekeraars en in de manier waarop samenwerking wordt bestuurd. Dan helpt het weinig om uitsluitend over méér capaciteit te spreken. De vraag is waarom beschikbare mensen en deskundigheid onvoldoende ruimte krijgen om hun werk te doen.

Systeemdwang zit immers zelden alleen in de wet; minstens zoveel belemmering schuilt in contractvoorwaarden, inkoopbeleid, protocollen en interne controle-eisen. Juist daarom moet de toets breder zijn: wie een verplichting oplegt, moet kunnen uitleggen welk probleem zij oplost en welke gevolgen zij heeft voor degenen die ermee moeten werken.

Die vraag wordt dringender wanneer technologie en maatschappelijke initiatieven nieuwe mogelijkheden openen. Een zorgcollectief, energiecoöperatie of kleine onderneming kan anders georganiseerd zijn dan de partijen waarvoor bestaande voorschriften werden ontworpen. Als een initiatief eerst op een gevestigde organisatie moet gaan lijken voordat het toegang krijgt tot financiering of voorzieningen, kan de vernieuwing onderweg verloren gaan.

Dat maakt niet ieder nieuw initiatief beter en niet iedere bestaande regel overbodig. Bescherming tegen onveilige zorg, fraude, willekeur en machtsmisbruik blijft nodig. Ook nieuwe organisaties moeten aanspreekbaar zijn op hun handelen. Maar bescherming vraagt om een aantoonbaar werkende maatregel. Het goede doel van een regel ontslaat de regelgever niet van de plicht de uitwerking te onderzoeken.

De vitaliteit van een samenleving blijkt uit haar vermogen te herstellen wat verkeerd is gegaan en te veranderen wat niet meer werkt. Daarvoor zijn mensen nodig die problemen benoemen, verantwoordelijkheid nemen en andere oplossingen ontwikkelen. Bestuurders moeten die kennis uit de praktijk benutten en bereid zijn hun eigen regels en werkwijzen ter discussie te stellen.

Dat herstelvermogen komt onder druk te staan wanneer burgers en professionals hun energie vooral kwijt zijn aan het verkrijgen van toestemming. Wie een werkbare oplossing heeft, moet ruimte krijgen om die toe te passen en te verbeteren. De overheid moet kunnen uitleggen waarom een beperking nodig blijft, ook wanneer zij die beperking zelf ooit met de beste bedoelingen heeft ingevoerd.

Idaho laat zien hoe een bestuur die bereidheid tot zelfcorrectie kan organiseren. Voor Nederland en Europa ligt daar een opdracht: benut de kennis, het initiatief en de verantwoordelijkheid die in de samenleving aanwezig zijn. Geef mensen de ruimte om te herstellen wat vastloopt en laat aantoonbare resultaten aanleiding zijn om regels, bevoegdheden en financiering te veranderen.