Te verdrietig om het te vertellen


Zien op zichzelf is al een vorm van verbinding.

Niet begrijpen. Niet verklaren. Niet onmiddellijk iets vinden. Alleen zien. Soms is dat genoeg. Misschien is het zelfs meer dan genoeg. Misschien begint werkelijke nabijheid pas daar waar wij ophouden met duiden.

Jaren geleden zag ik in een museum in Sittard werk van Bas Jan Ader. Geboren in Winschoten, later vertrokken naar Amerika, in 1975 verdwenen op zee. Een kunstenaar van wie het werk vaak zo eenvoudig lijkt dat je er bijna te snel aan voorbij zou lopen.

Tot je blijft staan.

Een van zijn bekendste werken is een tekst op een muur. Niet groot. Niet ingewikkeld. Geen esthetisch spektakel. Geen beeld dat zich opdringt. Alleen woorden.

Please don’t leave me.

Meer niet. Maar soms is “meer niet” precies genoeg.

Bas Jan Ader schreef geen kunstwerk. Hij schreef een waarheid op de muur. Wie er langsloopt en niets voelt, heeft het gelezen. Wie blijft staan, heeft het herkend.

Dat is het wonderlijke aan sommige kunst. Zij vraagt niet om applaus, maar om stilte. Zij probeert niet te overtuigen. Zij legt iets bloot waarvan je misschien dacht dat je het goed had opgeborgen. Een oude verlatenheid. Een naamloze angst. Het kind in jezelf dat ooit voelde dat iemand weg kon gaan en dat de wereld daarna niet meer dezelfde zou zijn.

Please don’t leave me.

Het is bijna beschamend eenvoudig. Juist daarom is het zo sterk.

Want onder al onze redelijkheid, volwassenheid, zelfbeheersing en fraaie woorden ligt soms nog altijd die ene zin: blijf bij mij. Ga niet weg. Laat mij hier niet alleen achter.

Wij zeggen hem zelden zo rechtstreeks.

Wij maken er andere zinnen van. “Heb je nog even?” “Bel je straks?” “Wanneer zie ik je weer?” “Gaat het wel goed tussen ons?” “Je bent de laatste tijd zo druk.” In volwassen taal klinkt verlatenheid vaak als irritatie, verwijt of redelijkheid. Maar diep daaronder klinkt soms dezelfde bede.

Blijf.
Niet omdat ik jou bezit.
Niet omdat ik zonder jou niets ben.
Maar omdat jouw aanwezigheid mij eraan herinnert dat ik besta.

Ook daarom raakte dat werk van Bas Jan Ader mij. Niet omdat het sentimenteel is. Het is juist niet sentimenteel. Sentimentaliteit legt gevoel op. Dit werk doet het omgekeerde. Het haalt alles weg tot alleen het naakte verdriet overblijft.

Geen verklaring.
Geen context.
Geen verhaal.
Alleen een mens die zegt: ga niet weg.

In 1970 stuurde Bas Jan Ader een briefkaart naar vrienden en bekenden. Daarop stond hij zelf, huilend. Onder de foto de woorden:
I’m too sad to tell you.

Ook dat is zo eenvoudig dat je er bijna bang van wordt. Want wat zegt iemand eigenlijk als hij zegt dat hij te verdrietig is om het te vertellen? Hij zegt niet alleen dat hij verdriet heeft. Hij zegt dat de taal tekortschiet. Dat woorden te klein zijn geworden. Dat uitleg het verdriet zou beschadigen.

Soms is pijn zo groot dat zij niet verteld wil worden. Alleen gezien.

Misschien had zijn verdriet te maken met de dood van zijn vader. Zijn vader werd in 1944 gefusilleerd. Bas Jan Ader werd geboren in 1942 en bracht een deel van zijn jeugd door in internaten. Je kunt daar lijnen trekken. Je kunt zeggen: het kind verloor de vader, de kunstenaar bleef zoeken naar verdwijnen, vallen, loslaten, verlaten worden.

Misschien klopt dat. Misschien ook niet.

Een mens is meer dan zijn biografie. Verdriet is meer dan de gebeurtenis die eraan voorafging. Soms zoeken wij oorzaken omdat wij het verdriet daarmee hanteerbaar maken. Als we weten waar het vandaan komt, hoeven we het minder naakt onder ogen te zien.

Maar kunst weigert soms die geruststelling.
Zij zegt niet: dit is de verklaring.
Zij zegt: kijk.
En kijken is moeilijker dan verklaren.

Want zodra wij verklaren, nemen wij afstand. Wij plaatsen het verdriet in een kader. Jeugdtrauma. Oorlog. Vaderverlies. Emigratie. Kunstgeschiedenis. Conceptuele kunst. Performance. Verdwijning. Allemaal woorden die iets kunnen verhelderen, maar ook iets kunnen bedekken.

Soms wordt uitleg een elegante manier om niet te hoeven voelen.
Ik herken dat.

Ik heb ook vaak geprobeerd verdriet begrijpelijk te maken. Voor mijzelf, voor anderen. Alsof verdriet pas bestaansrecht heeft wanneer het netjes kan worden uitgelegd. Alsof pijn een dossier nodig heeft. Een oorzaak, een diagnose, een routekaart, een conclusie.

Maar sommige pijn laat zich niet administreren.

Sommige pijn zit niet in een verhaal, maar in een blik. In een stilte. In een hand die net iets te lang op tafel blijft liggen. In iemand die ’s nachts wakker wordt en niet huilt omdat de ander anders wakker wordt en vragen gaat stellen.

Dat soort verdriet is niet spectaculair.
Het schreeuwt niet.
Het sloopt zachtjes.

Misschien huilen wij daarom vaak zonder geluid. Niet omdat het verdriet kleiner is, maar omdat wij anderen er niet mee willen belasten. Of omdat wij bang zijn dat hun vragen ons nog eenzamer maken. Want niets is soms eenzamer dan moeten uitleggen waarom je huilt aan iemand die vooral wil dat het weer ophoudt.

“Wat is er?”

Een liefdevolle vraag, zeker.
Maar ook een onmogelijke vraag wanneer het antwoord geen zin is, maar een wereld.

Daarom vond ik die woorden van Bas Jan Ader zo raak.

I’m too sad to tell you.

Niet: ik wil het niet vertellen.
Niet: ik vertrouw je niet.
Niet: het gaat je niets aan.
Maar: ik kan het niet vertellen, omdat het verdriet groter is dan mijn taal.

Wie dat zegt, vraagt niet om een oplossing. Hij vraagt ook niet om advies. Hij vraagt misschien alleen om iemand die naast hem blijft zitten zonder zijn verdriet kleiner te maken.

Dat is een zeldzame vorm van liefde.

Wij zijn snel met troost. Te snel, vrees ik. We willen verzachten, verklaren, opbeuren, perspectief bieden. “Het komt goed.” “Je moet het een plek geven.” “Probeer ook aan de mooie dingen te denken.” “Tijd heelt alle wonden.”

Soms zijn dat vriendelijke zinnen. Soms zijn het vluchtwegen.

Want echte nabijheid verdraagt machteloosheid. Zij hoeft het verdriet van de ander niet meteen te repareren. Zij hoeft niet te winnen van de pijn. Zij hoeft alleen niet weg te gaan.

Please don’t leave me.

Misschien horen die twee werken van Bas Jan Ader daarom bij elkaar.

Het ene zegt: ga niet weg.
Het andere zegt: ik kan je niet uitleggen waarom.

En daartussen bevindt zich misschien wel de kern van menselijk verdriet. De behoefte om vastgehouden te worden, terwijl je niet kunt uitleggen wat er precies vastgehouden moet worden.

Wij willen gezien worden op de plek waar wij zelf geen woorden meer hebben.
Dat geldt in de liefde. In vriendschap. In rouw. In ziekte. In de laatste fase van het leven. Misschien juist daar.

Want wie sterft, verliest langzaam taal aan werkelijkheid. Niet altijd letterlijk, maar existentieel. Wat valt er nog te zeggen wanneer afscheid geen gedachte meer is, maar een kamer, een bed, een ademhaling? Wat zeg je tegen iemand die weet dat hij weggaat? Wat zeg je tegen wie achterblijft?

Misschien soms niets.
Misschien is aanwezigheid dan de hoogste vorm van spreken.
Een stoel naast het bed.
Een hand.
Een blik die niet wegschiet.
Een stilte die niet ongemakkelijk wordt dichtgepraat.

In de palliatief terminale thuiszorg leer je dat niet ieder verdriet een antwoord zoekt. Sommige mensen willen vertellen. Anderen willen zwijgen. Sommigen willen herinneringen ophalen. Anderen kijken naar het plafond en voeren een gesprek dat niemand hoort. De kunst is niet om het juiste te zeggen. De kunst is om niet te vluchten voor het onzegbare.

Misschien raakte Bas Jan Ader mij daarom zo.

Omdat zijn werk niets oplost.
Het blijft open.
Zoals verdriet openblijft.

Hij ging zeilen. In 1975 vertrok hij in een kleine boot voor zijn project In Search of the Miraculous. Hij verdween op zee. Zijn boot werd later gevonden, hijzelf niet. Ook dat is bijna te symbolisch om nog uit te leggen. De kunstenaar die viel, huilde, smeekte om niet verlaten te worden, ging de oceaan op en verdween.

Je kunt er veel over zeggen. Misschien moet je dat juist niet doen.
Soms eindigt een verhaal niet met een conclusie, maar met een horizon.
Wat mij bijblijft, is niet de verdwijning alleen. Het is die ene kaart. Dat gezicht. Die zin.

I’m too sad to tell you.

Ik denk dat veel mensen die zin ergens in zich dragen. Niet dagelijks. Niet zichtbaar. Maar ergens achter de redelijkheid. Achter de afspraken. Achter de boodschappenlijst, de vergaderingen, de glimlach, de grap aan tafel.

Te verdrietig om het te vertellen.
Te moe om het uit te leggen.
Te bang om te vragen: blijf je?

En misschien is het mooiste wat wij voor elkaar kunnen doen wel dit: niet te snel denken dat wij het begrijpen. Niet te snel troosten. Niet te snel praten. Niet te snel weggaan.

Alleen blijven.
Zien.
Want zien op zichzelf is al een vorm van verbinding.