We klagen massaal over stuurloosheid. Over gebrek aan richting, besluiteloosheid, eindeloze processen en niemand die nog echt verantwoordelijkheid neemt. Tegelijk is het in onze tijd not-done om je als leider te gedragen. Wie richting durft te geven, wordt al snel gewantrouwd. Het heersende narratief verbiedt leiderschap, maar rouwt ondertussen om het ontbreken ervan.
Dat is geen toeval, maar een paradox.
Leiderschap is cultureel verdacht geworden. Niet omdat het per definitie faalt, maar omdat macht zelf is besmet geraakt. Het onderscheid tussen gezag en machtsmisbruik is vervaagd. Wie boven het maaiveld uitsteekt, moet zich eerst verdedigen voordat hij iets mag zeggen. Richting geven voelt al snel als domineren, normatief spreken als belerend.
Daarom is leiderschap hervertaald. De moderne leider mag verbinden, faciliteren, luisteren en ruimte geven. Allemaal waardevolle eigenschappen, maar ze missen één essentieel element: richting. Zodra er keuzes gemaakt moeten worden, offers gevraagd, of grenzen gesteld, valt het stil. Dan neemt het proces het over en verdwijnt de persoon.
Gezag is vervangen door procedure.
Het probleem is niet dat niemand macht heeft. Macht verdwijnt nooit. Ze verschuift alleen. Naar commissies, informele netwerken, activistische minderheden of de luidste stemmen. Macht zonder expliciet gezag is onzichtbaar en daardoor oncontroleerbaar. Niemand is aanspreekbaar, niemand is verantwoordelijk, en iedereen kan zeggen dat hij slechts uitvoerde wat “we samen besloten hebben”.
Herkenbaar voor jou, lezer?
Het is alsof we met elkaar op zee zijn gegaan en hebben besloten dat niemand nog kapitein mag zijn. We vergaderen over de koers, stemmen over de zeilen en stellen commissies in voor het weer. Alles is zorgvuldig geregeld, behalve de richting. En ondertussen drijft het schip.
Dat voelt veilig. En precies daar zit het verval.
Want leiderschap vraagt iets wat we collectief zijn gaan mijden: zichtbaarheid, aanspreekbaarheid en het risico om ongelijk te hebben. Een leider staat ergens voor en weet dat hij daarop wordt beoordeeld. In een cultuur die allergisch is voor schuld en hiërarchie, is dat een ondraaglijke positie geworden.
Er is nog een ongemakkelijker waarheid. We ontberen niet alleen leiderschap omdat het wordt ontmoedigd, maar ook omdat we het zelf niet meer willen dragen. Leiderschap vraagt volwassenheid, zowel van degene die leidt als van degene die volgt. Het vraagt het vermogen om verschil te accepteren, om niet altijd gelijk te hebben, om soms mee te bewegen met een richting die niet volledig de jouwe is.
Dat is lastig in een tijd waarin autonomie heilig is verklaard.
De keerzijde mag niet verzwegen worden. Leiderschap kan ontsporen. Geschiedenis en actualiteit laten zien hoe snel gezag kan verharden tot autoriteit, en autoriteit tot onderdrukking. Wantrouwen tegenover macht is niet uit de lucht komen vallen. Het probleem is alleen dat we het kind met het badwater hebben weggegooid. In plaats van beter leiderschap te eisen, hebben we leiderschap zelf verdacht verklaard.
En daarmee zijn we iets wezenlijks kwijtgeraakt.
Samenlevingen, organisaties en gemeenschappen kunnen niet zonder richting. Zonder iemand die zegt: dit is waar we heen gaan, dit zijn de consequenties, en hier sta ik voor. Wie dat verbiedt, krijgt geen gelijkwaardigheid, maar stuurloosheid. Geen vrijheid, maar leegte.
De vraag die blijft hangen is ongemakkelijk eenvoudig:
Misschien is het probleem niet dat niemand leidt, maar dat wij niet meer geleid willen worden.