De toekomst als alibi voor het heden


Er is een bijzonder soort belofte die bijna niet kan mislukken. De belofte waarvan de uitkomst ver genoeg in de toekomst ligt.

Vandaag zijn de kosten hoger.
Maar straks wordt het beter.

Vandaag verdwijnt een voorziening.
Maar straks ontstaat een efficiënter systeem.

Vandaag werkt de nieuwe organisatie nog niet goed.
Maar dat zijn overgangsproblemen.

Vandaag gaat de productie omlaag.
Maar we bevinden ons in een transitie.

Dat kan allemaal waar zijn.
Vrijwel iedere grote verandering kent immers een periode waarin het eerst slechter gaat voordat het beter wordt.
Een verbouwing begint ook met stof.

Het interessante probleem ontstaat wanneer niemand meer duidelijk kan zeggen wanneer het stof moet verdwijnen. Dan wordt de toekomst een merkwaardig argument. Iedere tegenvaller vandaag kan worden verklaard met de verbetering van morgen. En omdat morgen nog niet bestaat, kan de belofte moeilijk worden weerlegd.

Daarom zou iedere grote transitie misschien drie dingen nodig hebben.

Een duidelijke uitgangssituatie.
Een meetbare bestemming.
En een moment waarop we eerlijk durven zeggen:
dit werkt niet zoals we dachten.

Zonder dat laatste bestaat er eigenlijk geen experiment. Dan bestaat alleen een koers.

Voor bestuurders is twintig jaar een beleidshorizon.
Voor mensen is twintig jaar een flink deel van hun leven.

Zij wonen vandaag in dat dorp.
Hebben vandaag die energierekening.
Rijden vandaag over die weg.
Zoeken vandaag een huis.

Daarom verdient iedere belofte over 2040 ook een vraag over 2026.
Niet omdat de lange termijn onbelangrijk is.
Maar omdat de toekomst geen vrijstelling mag worden van de werkelijkheid van vandaag.