Veel organisaties herkennen problemen opvallend vroeg.
Ze beschikken over rapportages, signalen, incidentmeldingen, dashboards en medewerkers die al maanden vertellen dat iets niet werkt. Er is dus zelden een gebrek aan informatie.
Toch verandert er meestal pas iets wanneer het probleem groot genoeg is geworden om niet langer professioneel te kunnen worden genegeerd.
Correctie vraagt namelijk om keuzes. En keuzes leveren bijna altijd een verliezer op. Een project moet stoppen, een bestuurder moet erkennen dat een besluit verkeerd uitpakte of een afdeling moet macht inleveren.
Daar houden moderne organisaties niet van.
Ze kiezen liever voor een werkgroep. Een werkgroep heeft als groot voordeel dat het probleem serieus lijkt te worden genomen zonder dat iemand al iets hoeft te besluiten.
Daarna volgt een verkenning. Vervolgens een dialoogsessie. Dan een bestuurlijke reflectie op de uitkomsten van de dialoogsessie. Tegen die tijd is het probleem meestal veranderd, vertrokken of failliet.
We noemen dat zorgvuldigheid.
Maar soms is zorgvuldigheid gewoon uitgestelde moed.
Een systeem dat zichzelf niet meer kan corrigeren, stort niet noodzakelijk spectaculair in. Het blijft vaak nog lang functioneren. Er worden stukken geschreven, vergaderingen gehouden en processen gevolgd.
Alleen de werkelijkheid doet niet meer mee.
En de werkelijkheid heeft een onhebbelijke eigenschap: zij wacht niet tot de notulen zijn vastgesteld. Zij breekt uiteindelijk altijd door de papieren muren heen. En hoe langer we die confrontatie met werkgroepen en dialoogsessies hebben uitgesteld, hoe harder de werkelijkheid alsnog pijn doet.