Vraag een bestuurder naar innovatie en de kans is groot dat er onmiddellijk enthousiasme ontstaat.
Vraag dezelfde bestuurder wat er de komende twintig jaar absoluut behouden moet blijven. Dan wordt het gesprek ingewikkelder. Dat is vreemd. Want vrijwel alles waarvan wij dagelijks profiteren bestaat dankzij mensen die iets hebben onderhouden.
Bruggen.
Kennis.
Taal.
Vakmanschap.
Rechtsregels.
Scholen.
Bedrijven.
Landschappen.
Instituties.
Zelfs vrijheid moet worden onderhouden.
Toch heeft verandering een bijna automatische positieve lading gekregen. Verandering is dynamisch. Vooruitstrevend. Modern.
Behoud klinkt al snel nostalgisch.
Maar behoud is niet hetzelfde als stilstand.
Een violist die een eeuwenoude compositie uitvoert, staat niet stil.
Een ingenieur die een honderd jaar oude dijk onderhoudt, staat niet stil.
Een leraar die een nieuwe generatie leert lezen, schrijven en rekenen, staat niet stil.
Ze geven iets door.
Misschien is dat een onderschatte maatschappelijke vaardigheid geworden: onderscheiden wat moet veranderen van wat juist beschermd moet worden tegen onze veranderdrift.
Want iedere generatie krijgt dingen aangereikt die zij zelf niet heeft gemaakt.
De volwassen vraag is niet alleen:
Wat kunnen wij vernieuwen?
Maar ook:
Wat mogen wij eigenlijk niet verkwanselen?