Jezelf zijn. Kan dat eigenlijk wel?


“Jij bent jezelf,” zegt iemand op de reclame. Het klinkt prachtig. Warm ook. Bijna troostend. Een titel waar niemand zich een buil aan kan vallen. Want wie wil er nu niet “echt” zijn? Wie wil er nu niet eindelijk verlost worden van maskers, verwachtingen, rollen en toneel?

Toch wringt er iets.

Want wat bedoelen we eigenlijk als we zeggen dat iemand “zichzelf” moet zijn?

Alsof er ergens diep vanbinnen een zuivere, oorspronkelijke versie van ons schuilt. Een soort onaangetast binnenste, dat alleen nog even bevrijd hoeft te worden uit de greep van de buitenwereld. Alsof de mens ergens een vaste kern bezit, een ware identiteit, die onder het stof van opvoeding, teleurstelling, sociale druk en zelfbedrog nog altijd onaangeroerd ligt te wachten.

Ik geloof daar steeds minder van.

Niet omdat een mens geen karakter zou hebben. Niet omdat wij geen neigingen, verlangens, talenten of innerlijke drijfveren kennen. Maar wel omdat het idee van een “echt zelf” mij te eenvoudig voorkomt. Te rond. Te mooi verpakt. Te geschikt ook voor reclameslogans, cursussen en boekentitels.

De mens is geen standbeeld dat ergens onder een laken verborgen staat en alleen nog onthuld hoeft te worden.

De mens is eerder klei.

Kneedbaar. Tegenstrijdig. Onaf. In beweging. Soms moedig, soms laf. Soms zacht, soms hard. Vandaag overtuigd, morgen twijfelend. We bestaan niet alleen uit wat van nature in ons zit, maar evenzeer uit wat ons is overkomen, wat wij hebben verdrongen, wat wij hebben geleerd, wat wij hebben verloren en wat wij van onszelf hebben gemaakt.

Dus nee, ik denk niet dat “jezelf zijn” zo eenvoudig is.

Sterker nog: soms denk ik dat het een misleidend ideaal is.

Want hoe vaak wordt “ik ben nu eenmaal zo” niet gebruikt als excuus? Voor botheid. Voor onvermogen. Voor gebrek aan zelfbeheersing. Voor het weigeren te groeien. Alsof authenticiteit betekent dat alles wat spontaan uit je opwelt dus ook waar, goed of wezenlijk is.

Maar wat er spontaan uit een mens komt, is lang niet altijd zijn waarheid. Het kan net zo goed zijn angst zijn. Zijn gekwetstheid. Zijn ijdelheid. Zijn gewoonte. Zijn beschadiging. Zijn reflex.

Niet alles wat natuurlijk voelt, is daarom ook zuiver.

Soms is wat wij “onszelf” noemen juist het deel dat ons het meest gevangen houdt.

Misschien zit de fout al in het werkwoord ‘zijn’.

Alsof het leven draait om aankomen bij een vaste identiteit. Alsof volwassenheid betekent dat je eindelijk ontdekt wie je werkelijk bent, en dat daarna de rust kan intreden. Maar misschien is de mens niet in de eerste plaats iemand die is. Misschien is hij iemand die wordt.

Dat is iets heel anders.

Worden vraagt namelijk iets wat “jezelf zijn” niet vraagt: inspanning. Oefening. Zelfonderzoek. Correctie. Pijn soms ook. Want wie je bent, is niet alleen wat je voelt, maar ook wat je met jezelf gedaan hebt. Wat je geoefend hebt. Welke neigingen je hebt gevoed en welke je hebt beteugeld. Waar je verantwoordelijkheid hebt genomen voor je karakter, in plaats van het als natuurverschijnsel te presenteren.

Wij worden gevormd, maar wij vormen ook terug.

Dat maakt het leven moeilijker, maar ook waardiger.

Want stel dat een mens niet geroepen is om simpelweg zichzelf te zijn, maar om zichzelf onder ogen te komen. Om zichzelf bij te schaven. Om soms juist afstand te nemen van wat hij spontaan is, ten gunste van wat hij zou kunnen worden.

Dan verschuift alles.

Dan wordt authenticiteit niet langer een soort heilige binnenstem die altijd gevolgd moet worden. Dan wordt de vraag niet: ben ik trouw aan mezelf? Dan wordt de vraag: aan welk deel van mezelf ben ik trouw?

Aan mijn gemakzucht of aan mijn geweten?
Aan mijn drift of aan mijn discipline?
Aan mijn angst of aan mijn moed?
Aan mijn wond of aan mijn wijsheid?

Dat zijn andere vragen. Eerlijkere ook.

Misschien is dat wel het probleem met onze tijd. Dat we het woord authenticiteit zijn gaan verwarren met echtheid, terwijl echtheid helemaal niet betekent dat je alles maar laat zoals het is. Een eikenboom is echt, maar groeit wel. Een mens die weigert te groeien onder het mom van “dit ben ik nu eenmaal”, is misschien vooral trouw aan zijn stilstand.

Ik vermoed daarom dat “jezelf zijn” niet het hoogste doel is.

Jezelf worden, dat komt dichter in de buurt.

En zelfs dat is geen eindstation. Het is een levenslang gevecht tussen aanleg en keuze, tussen impuls en inzicht, tussen wie je was, wie je dacht te zijn en wie je, ondanks alles, misschien nog kunt worden.

De mooiste mensen die ik heb ontmoet waren zelden simpelweg “zichzelf”. Zij waren meestal mensen die door het leven heen iets hadden afgelegd, iets hadden afgeleerd, iets hadden getemd. Mensen die niet trots zeiden: “Zo ben ik nu eenmaal”, maar die de moeilijkere weg waren gegaan en zich hadden laten schuren door waarheid, verlies, liefde of verantwoordelijkheid.

Misschien word je pas echt iemand wanneer je ophoudt jezelf als eindpunt te beschouwen.

Dus als iemand zegt: wees wie je echt bent, dan begrijp ik de aantrekkingskracht van die woorden wel. Maar zelf zou ik liever zeggen:

Word wie je, met vallen en opstaan, waard bent te worden.

Dat klinkt minder vriendelijk.
Maar misschien is het dichter bij de waarheid.