Stel je voor: je bevindt je in een jungle van woorden. Overal om je heen hoor je kreten als “ASAP”, “flexibel werken” en “strategische herstructurering”. Ze klinken belangrijk, professioneel zelfs, maar zodra je ze probeert te grijpen, glippen ze tussen je vingers door als rook. Dit is het wonderlijke rijk van miscommunicatie, waar woorden hun betekenis verliezen en we onbedoeld hilarische, soms frustrerende taferelen creëren.
Het begint allemaal met een schijnbaar onschuldige opmerking. Een manager met een blik vol urgentie roept: “We moeten dit ASAP afhandelen!” Ogen schieten nerveus van links naar rechts. In de ene hoek van de kamer wordt een klamme paniekaanval onderdrukt, terwijl iemand anders net zijn koffie inschenkt en denkt: “ASAP… dat wordt ergens volgende week.” Ondertussen hoopt een derde dat niemand naar hem kijkt, want hij heeft geen idee wat de deadline nu eigenlijk is.
De manager zucht. Het enige dat hij wilde, was vaart maken, niet een taalkundige crisis veroorzaken op de werkvloer. Toch verplaatst dit soort spraakverwarring zich net zo moeiteloos naar de overlegruimte, waar de verdwijntruc van woorden vrolijk verder gaat.
“Laten we het kort en krachtig houden,” zegt de voorzitter opgewekt. Iedereen knikt. Goed plan. Sandra schiet meteen uit de startblokken en ratelt als een veilingmeester door de agendapunten heen. Henk daarentegen vindt kort en krachtig maar niks en duikt zo diep in elk onderwerp dat je zou denken dat hij archeologische opgravingen doet. De rest van het team kijkt toe, verward en onzeker of ze zich nu moeten haasten of juist nog een extra duikbril moeten opzetten.
Ironisch genoeg duurt de vergadering langer dan ooit en heeft de voorzitter zichtbaar spijt van zijn woordkeuze. Maar als we in een klein overleg al struikelen over simpele begrippen, wordt het pas echt een spektakel wanneer het hogere management het podium pakt. Een leidinggevende stapt op het podium en begint een verhaal vol grootse termen als “synergie”, “disruptieve innovatie” en “agile transformatie”. Het publiek knikt. Sommige mensen glimlachen zelfs. Ze willen niet de enigen zijn die het niet begrijpen. Maar vraag een uur later wat er precies werd gezegd en je krijgt een reeks onzeker klinkende antwoorden: “Iets met computers?” of “Volgens mij krijgen we promotie… of we worden ontslagen.” Niemand weet het zeker. Taal heeft hier geen bruggen geslagen, alleen mistbanken gecreëerd.
Maar achter die mistbanken schuilt een serieuzer probleem. Terwijl we stiekem gniffelen om de zoveelste holle kreet, trekt dit jargon onbedoeld een harde scheidslijn. Het bouwt een onzichtbare muur tussen de ‘insiders’ die de kantoorcode spreken en de mensen in de uitvoering die de boel daadwerkelijk draaiende houden. Voor wie deze taal niet spreekt – de praktische doener, de nieuwkomer, of de kritische buitenstaander – klinkt het niet als een uitnodiging tot samenwerking, maar als uitsluiting. Woorden die ons zouden moeten verbinden, veranderen zo in een subtiel machtsmiddel dat mensen op afstand houdt.
De verwarring bereikt een hoogtepunt wanneer iemand roept: “We moeten flexibel zijn!” In de dagen die volgen, is er geen touw meer aan vast te knopen. Mark verschijnt in yogabroek op kantoor en doet tussen de spreadsheets door een zonnegroet. Lisa zet een opblaasbaar zwembad naast haar bureau, overtuigd dat flexibel werken betekent dat je overal mag werken. En Kees? Die is nergens te bekennen. Hij heeft flexibel geïnterpreteerd als “ik kom wanneer ik zin heb” en blijkt het concept tot kunst te hebben verheven.
Aan het eind van deze tocht door het woordenrijk is er één conclusie: communicatie is als koken. Je hebt de juiste ingrediënten nodig – heldere woorden – en moet de juiste temperatuur instellen – de context. En net als bij een goed recept moet je af en toe proeven en checken of het nog klopt. Doe je dat niet, dan eindigt je boodschap als een teleurstellend gerecht: onverteerbaar en onbegrijpelijk. Maar het goede nieuws? Als het mislukt, kun je er altijd om lachen. Want in de wonderlijke wereld van communicatie is humor misschien wel het enige ingrediënt dat altijd werkt.