De barbarij begint waar zelfbeheersing eindigt


In een eerdere blog schreef ik dat de barbarij aan de poorten van onze beschaving staat.

Dat klinkt groot. Misschien te groot. Van die zinnen waarbij je later denkt: Wim, had het ook een onsje minder gekund? Maar sommige gedachten laten zich niet kleiner maken zonder dat ze onwaar worden. Ze blijven hangen. Niet omdat je zeker weet dat ze kloppen, maar omdat ze weigeren te verdwijnen.

Barbarij.
Het is een woord met stof eraan. Een woord uit geschiedenisboeken, uit veldslagen, uit ingestorte rijken en verbrande steden. We zien er al snel woeste mannen bij voor ons, schreeuwend aan de poort, fakkels in de hand, beschaving aan de ene kant, chaos aan de andere.

Maar misschien is dat te gemakkelijk.
Misschien begint barbarij zelden buiten de poorten.
Misschien begint zij binnen.

Niet met lawaai, maar met verlies van zelfbeheersing. Niet met geweld, maar met het verdwijnen van innerlijke remmen. Niet met de afbraak van gebouwen, maar met de afbraak van het vermogen om onszelf te begrenzen.

Beschaving is niet in de eerste plaats steen, glas, asfalt, beleid, universiteit, museum of parlement. Dat zijn de zichtbare vormen. De gebouwen. De instituties. De buitenkant.

Beschaving is vooral een innerlijke prestatie.
Zij is het vermogen om niet alles te doen wat je kunt doen. Om niet meteen toe te geven aan drift, wraak, ressentiment, hebzucht, gemakzucht of groepshaat. Beschaving begint waar de mens tegen zichzelf zegt: dit wil ik misschien wel, maar ik doe het niet.

Dat klinkt ouderwets. Misschien is het dat ook.
Maar niet alles wat ouderwets klinkt, is achterhaald. Soms zijn oude woorden alleen maar versleten omdat wij de werkelijkheid die zij benoemen niet meer willen dragen.

Zelfbeheersing is zo’n woord.
Het klinkt streng. Schoolmeesterachtig. Alsof iemand met een opgestoken vinger zegt dat we ons moeten gedragen. Maar zelfbeheersing is geen kleinburgerlijke deugd. Zij is de dragende constructie onder elke samenleving die niet wil vervallen in willekeur.

Zonder zelfbeheersing wordt vrijheid drift.
Zonder zelfbeheersing wordt gelijkheid afgunst.
Zonder zelfbeheersing wordt rechtvaardigheid wraak.
Zonder zelfbeheersing wordt waarheid een wapen.
En zonder zelfbeheersing wordt medelijden sentimentaliteit.

Een beschaving kan lang blijven bestaan nadat zij innerlijk al verzwakt is. De wegen worden nog onderhouden. De vergaderingen gaan door. De formulieren worden ingevuld. De toespraken worden gehouden. Er zijn beleidsnota’s, jaarplannen, commissies en conferenties. Alles lijkt nog te functioneren.

Maar functioneren is niet hetzelfde als leven. Een lichaam kan ook nog warm zijn terwijl de ziel al vertrokken is.

Ik overdrijf, zegt iemand dan. Misschien. Maar kijk eens goed.
Wij leven in een tijd waarin mensen steeds minder verdragen. Minder tegenspraak. Minder onzekerheid. Minder tragiek. Minder verschil. Minder pijn. Minder ongemak. Alsof het leven zelf zich moet aanpassen aan onze gevoeligheid.

Maar een samenleving die geen ongemak meer verdraagt, verliest haar volwassenheid.
Volwassenheid is niet dat je nooit gekwetst wordt. Volwassenheid is dat je kunt blijven staan wanneer je geraakt wordt. Dat je niet iedere botsing tot trauma verklaart. Niet iedere afwijkende mening tot bedreiging. Niet ieder verlies tot onrecht. Niet ieder verschil tot discriminatie.

Wie elk ongemak moraliseert, maakt samenleven onmogelijk.
Want samenleven is per definitie ongemakkelijk.
De ander is lastig. De ander ruikt anders, denkt anders, stemt anders, bidt anders, bemint anders, spreekt anders, zwijgt anders. De ander heeft belangen die niet samenvallen met de mijne. Hij neemt ruimte in. Hij corrigeert mij alleen al door er te zijn.

Beschaving begint niet wanneer wij die ander geweldig vinden.
Beschaving begint wanneer wij hem verdragen.
En verdragen is iets anders dan vieren. Dat onderscheid zijn wij kwijtgeraakt. Tegenwoordig lijkt het alsof iedere vorm van afstand, aarzeling of ongemak onmiddellijk moet worden omgezet in enthousiasme. Je moet niet alleen tolereren, je moet bevestigen. Niet alleen ruimte geven, maar applaudisseren.

Maar echte tolerantie is juist waardevol omdat zij spanning verdraagt.
Zij zegt: ik ben het niet met je eens, ik begrijp je misschien niet eens, maar ik ontzeg jou niet je plaats in de wereld.

Dat is beschaving.
Niet de afwezigheid van conflict, maar de beheersing ervan.
Niet de afwezigheid van verschil, maar het vermogen om verschil niet onmiddellijk tot vijandschap te maken.

Barbarij begint wanneer dat vermogen verdwijnt.
Dan wordt de tegenstander een vijand. De criticus een gevaar. De twijfelaar een verrader. De buitenstaander een indringer. De ander een categorie.

En zodra de mens een categorie wordt, is hij gemakkelijker te beschadigen.
Daarom is taal nooit onschuldig. Niet omdat woorden op zichzelf geweld zijn, dat vind ik te gemakkelijk. Maar omdat woorden de afstand kunnen vergroten tussen mens en geweten. Wie een mens niet meer bij zijn naam noemt, maar alleen nog als probleem, risico, last, bedreiging of dossier, heeft de eerste stap gezet naar morele verdoving.

Dat geldt in de politiek.
Dat geldt in de zorg.
Dat geldt in organisaties.
Dat geldt in families.

Overal waar mensen ophouden elkaar als mens te zien, begint iets te verkillen.
En verkilling is vaak gevaarlijker dan woede. Woede is tenminste nog warm. Verkilling kan keurig zijn. Beleefd. Procedureel. Juridisch correct. Administratief volledig op orde.

Er bestaat een barbarij met formulieren.
Een barbarij die niet schreeuwt, maar afvinkt.
Een barbarij die niet met een knuppel slaat, maar met een protocol.
Een barbarij die niet zegt: ik haat u, maar: u valt buiten de regeling.
Dat is misschien de moderne vorm ervan. Niet de krijger aan de poort, maar de functionaris achter het scherm. Niet de brandstapel, maar het systeem waarin niemand zich nog werkelijk verantwoordelijk voelt voor de mens die vermalen wordt.

En het beangstigende is: vaak bedoelt niemand het kwaad. Dat maakt het niet minder erg.
Soms maakt het het erger.

Want kwaad dat zichzelf als kwaad herkent, roept nog weerstand op. Maar kwaad dat zich voordoet als beheer, efficiëntie, veiligheid, gelijkheid of zorgvuldigheid, glipt makkelijker door onze morele verdediging heen.

Wij denken dat beschaving vooral wordt bedreigd door haat. Dat is waar, maar onvolledig. Beschaving wordt ook bedreigd door gemak. Door lafheid. Door kuddegedrag. Door slachtofferschap als identiteit. Door rechtvaardigheid zonder barmhartigheid. Door vrijheid zonder verantwoordelijkheid. Door beleid zonder geweten.

En vooral door mensen die niet meer oefenen in zelfbeheersing.
Want zelfbeheersing is geen natuurlijke staat. Een kind wordt niet beheerst geboren. Een samenleving evenmin. Beschaving moet telkens opnieuw worden aangeleerd. Aan de keukentafel. Op school. In de kerk, voor wie daar nog komt. In de sportclub. In organisaties. In debat. In vriendschap. In verlies.

Je leert het wanneer je niet altijd krijgt wat je wilt.
Wanneer je moet wachten.
Wanneer iemand nee zegt.
Wanneer je ongelijk blijkt te hebben.
Wanneer je boos bent en toch niet slaat.
Wanneer je gekwetst bent en toch niet vernietigt.
Wanneer je wint en toch niet vernedert.
Wanneer je verliest en toch niet verbittert.

Dat zijn geen kleine dingen. Dat zijn de oefenplaatsen van beschaving.
Misschien is dat waarom ik mij zorgen maak. Niet omdat de wereld verandert. De wereld verandert altijd. Niet omdat jonge mensen anders denken. Dat hoort zo. Niet omdat oude vormen verdwijnen. Veel oude vormen verdienen het om te verdwijnen.
Mijn zorg zit dieper.

Ik vraag mij af of wij nog voldoende innerlijke kracht hebben om vrijheid te dragen.
Vrijheid vraagt meer dan rechten. Zij vraagt karakter. Zij vraagt mensen die niet onmiddellijk bezwijken onder hun eigen verlangens. Mensen die het verschil kennen tussen kunnen en mogen, tussen voelen en doen, tussen gekwetst zijn en gelijk hebben.

Een samenleving die alleen nog spreekt over rechten, maar nauwelijks nog over plichten, maakt haar burgers zwakker dan zij denkt.
Een samenleving die elk verlangen legitimeert, maar weinig oefent in begrenzing, verwart bevrijding met ontregeling.
Een samenleving die zelfbeheersing verdacht maakt, zaagt aan de balk waarop zij zit.

Natuurlijk kan zelfbeheersing ook misbruikt worden. Zij kan een ander woord worden voor onderdrukking, zwijgen, inslikken, braaf aanpassen. Ik weet dat. Ik kom uit een wereld waarin fatsoen soms belangrijker was dan waarheid. Waar mensen overeind bleven, maar zichzelf kwijtraakten. Waar emoties werden opgeborgen in nette kasten.

Die vorm van zelfbeheersing bedoel ik niet.
Ik bedoel niet het wegdrukken van leven. Ik bedoel het dragen ervan.
Dat is iets heel anders.

Ware zelfbeheersing maakt een mens niet kleiner, maar groter. Zij geeft vorm aan kracht. Zij maakt vrijheid mogelijk. Zij voorkomt dat elke emotie onmiddellijk de wereld in wordt geslingerd alsof gevoel vanzelf recht geeft op handelen.
Niet alles wat wij voelen, verdient gehoorzaamheid.

Dat inzicht lijkt mij onmisbaar.
Want gevoelens zijn echt, maar niet altijd waar. Boosheid kan terecht zijn, maar ook blind. Angst kan waarschuwen, maar ook misleiden. Medelijden kan menselijk zijn, maar ook dom. Verontwaardiging kan zuiver beginnen en eindigen als roes.

Wie zijn gevoelens niet onderzoekt, wordt erdoor bestuurd.
En mensen die door hun gevoelens worden bestuurd, zijn gemakkelijk te manipuleren.
Door politici. Door media. Door bewegingen. Door algoritmen. Door iedereen die weet welke knop hij moet indrukken.
Daar raakt dit thema aan onze tijd. De moderne mens denkt vaak dat hij vrijer is dan ooit, maar misschien is hij vooral prikkelbaarder dan ooit. Voortdurend aangesproken, geraakt, verleid, opgehitst, bevestigd. De telefoon in zijn hand is niet alleen een apparaat, maar een permanent geopende deur naar drift, vergelijking, verontwaardiging en verlangen.

Nooit eerder had de mens zoveel aanleiding om zichzelf te verliezen.
Daarom is zelfbeheersing geen achterhaalde deugd, maar een moderne noodzaak.
Misschien wel de modernste van allemaal.
Zonder haar worden wij speelbal van systemen die beter weten hoe wij werken dan wijzelf. Dan noemen wij het vrijheid terwijl wij reageren op prikkels. Dan noemen wij het authenticiteit terwijl wij onze impulsen uitleven. Dan noemen wij het engagement terwijl wij verslaafd zijn aan verontwaardiging.

En zo komt de barbarij niet met laarzen de straat in. Zij komt via het scherm. Via de slogan. Via de groep. Via het comfortabele gevoel moreel superieur te zijn. Via het onvermogen om te zeggen: misschien vergis ik mij.
Dat laatste is misschien wel de eenvoudigste vorm van beschaving: kunnen twijfelen aan jezelf zonder in te storten.
Wie dat niet kan, heeft vijanden nodig. Want als ik mij niet mag vergissen, moet de ander slecht zijn. Daar begint veel ellende.
Niet bij verschil van mening, maar bij de psychologische noodzaak om de ander moreel uit te schakelen. Dan hoef ik niet meer te luisteren. Dan hoef ik niets te leren. Dan hoef ik mijn eigen drift niet te onderzoeken. Dan is mijn woede geen woede meer, maar rechtvaardigheid.
En rechtvaardigheid zonder zelfbeheersing is een gevaarlijk goedje.
Het bedwelmt.

Het geeft mensen toestemming om hard te worden met een schoon geweten.
Misschien is dat de les die wij telkens opnieuw vergeten: beschaving wordt niet alleen verdedigd door wetten, maar door mensen die zichzelf kunnen begrenzen. Mensen die hun macht niet volledig gebruiken. Mensen die hun gelijk niet uitmelken. Mensen die hun pijn niet doorgeven als wraak. Mensen die niet alles zeggen wat zij kunnen zeggen. Mensen die weten dat waardigheid soms begint met inslikken, wachten, ademen.
Niet uit zwakte. Uit kracht.

De barbarij staat misschien inderdaad aan de poorten. Maar zij staat daar niet alleen.
Zij woont ook in ons ongeduld. In onze verontwaardiging. In onze gemakzucht. In onze behoefte om bij de goede groep te horen. In ons verlangen om de wereld eenvoudig te maken door mensen in goede en foute vakken te duwen.

Daarom heeft beschaving geen betere verdediging dan mensen die zichzelf kennen.
Mensen die weten wat er in hen leeft.
Mensen die niet schrikken van hun eigen schaduw.
Mensen die begrijpen dat de grens tussen beschaving en barbarij niet loopt tussen landen, partijen, klassen of generaties.
Die grens loopt door ieder mens.
En elke dag opnieuw wordt ergens langs die grens besloten wie wij zijn.