Stel je voor dat je op een avond thuiskomt en in de hoek van de kamer een giftige slang ziet liggen. In paniek vlucht je naar buiten en sla je de deur achter je dicht. Je durft nooit meer terug naar binnen. Pas later hoor je dat het geen slang was, maar slechts een opgerold stuk touw. Toch blijf je liever buiten. De angst is te echt geworden om de werkelijkheid nog onder ogen te zien.
Die scène lijkt misschien absurd, maar het is precies hoe veel mensen hun leven leiden. We denken dat er iets fundamenteel mis is met onszelf en vluchten daarvoor, zonder te beseffen dat wat we voor ‘gevaar’ aanzien, eigenlijk slechts een misvatting is. We verwarren wie we denken te zijn met wie we werkelijk zijn, en bouwen een leven rondom die vergissing.
Die vergissing begint met het feit dat we onze ware aard niet meer herkennen. We zijn vergeten dat we in wezen liefdevol, vrij en compleet zijn. In plaats daarvan zijn we gaan geloven dat we niet goed genoeg zijn. Dat we tekortschieten. Dat we ergens gebrekkig zijn – zwak, dom, onbemind. En vanuit die overtuiging gaan we op zoek naar liefde en bevestiging buiten onszelf, alsof die ons kunnen redden van de leegte die we diep vanbinnen vrezen.
Maar hoe meer we buiten onszelf zoeken, hoe sterker we de illusie voeden dat we innerlijk niets bezitten. We raken verstrikt in een vicieuze cirkel waarin we steeds afhankelijker worden van anderen om ons waardevol te voelen. Zoals de man die de rest van zijn leven in de tuin woont, omdat hij denkt dat er een slang in huis zit, durven wij vaak niet meer naar binnen – in onszelf. Uit angst voor onze vermeende onwaardigheid vermijden we onze eigen diepte.
En toch is die vermeende onwaardigheid niets meer dan een idee. Het heeft niets te maken met wie we werkelijk zijn, maar alles met wat we zijn gaan geloven over onszelf. Want onze natuurlijke staat – die onder al die lagen van denken en zelfafwijzing ligt – is volmaakt, liefdevol en levend. Niet als dogma of wensdroom, maar als directe ervaring die zich openbaart zodra we stoppen met vechten tegen onszelf.
Het is verleidelijk om van die natuurlijke goedheid een nieuw geloof te maken. Iets waarmee we onszelf positief toespreken wanneer we ons waardeloos voelen. Maar zolang het slechts een positief idee is dat het negatieve idee moet overstemmen, blijven we gevangen in het denken. Alleen wanneer we die natuurlijke goedheid direct ervaren, voorbij de overtuigingen over goed of slecht, ontstaat er een rust die niet afhankelijk is van omstandigheden.
Sommigen zullen wijzen op het kwaad in de wereld en zeggen: zie je wel, de mens is geneigd tot het slechte. Maar zelden lijkt dat kwaad gepaard te gaan met werkelijk geluk. Wie leeft vanuit bedrog, woede of verslaving, ervaart doorgaans geen diepe innerlijke vrede. En als dat soort gedrag voortkwam uit onze diepste natuur, zouden we er juist rust en harmonie in vinden. Maar dat doen we niet.
Negatief gedrag geeft hooguit kortstondige verlichting van de pijn die eraan voorafging. Op lange termijn brengt het geen vervulling, maar nieuwe ellende. Anders gezegd: we voelen ons het meest thuis, het meest in balans, wanneer we handelen in overeenstemming met wie we werkelijk zijn – met eerlijkheid, openheid, liefde en creativiteit. Dat is onze ware natuur.
Misschien is het tijd om terug te keren naar die kamer waar de vermeende slang lag. Om opnieuw te kijken, zonder angst. En te ontdekken dat er niets gevaarlijks lag, slechts een touw. En dan, eindelijk, kunnen we thuiskomen. Niet in een huis van steen, maar in onszelf. In wie we ten diepste zijn.