Er zijn van die dagen dat je wakker wordt en denkt: “Nou nee. Niet vandaag.” Je staart naar het plafond, het dekbed voelt als een pact met de eeuwigheid, en je overweegt serieus om een voicemail in te spreken bij God: “Even niet bereikbaar vandaag. Probeer het later nog eens.”
Toch staan we op. Bijna altijd. En dat is vreemd als je erover nadenkt.
Het ritueel van het rechtop komen
De meesten van ons staan niet op omdat we er zin in hebben, maar omdat we iets te doen hebben. En als we even heel eerlijk zijn: dat iets is zelden wereldschokkend. Het is eerder: brood smeren, kattenbak verschonen, koffie zetten, Zoom-vergaderingen waar iedereen zijn camera uit heeft staan, en de eeuwige vraag: wat eten we vanavond?
Toch slepen we onszelf uit bed alsof we de hoofdrol spelen in onze eigen, ietwat matte, Netflix-dagserie: De Man Die Toch Weer Ging.
Identiteit in de steigers
Waarom dan? Nou, misschien wel omdat we willen geloven dat we iemand zijn.
We zijn moeder, vader, partner, zzp’er, vrijwilliger, professional, ex-vrouw, hoopvol romanticus of nuchtere realist. En al die rollen hebben een script dat begint met opstaan. Want niets is moeilijker dan ‘iemand zijn’ in een horizontale positie met slaaphaar.
Je staat op omdat je identiteit je roept. Je wilt iemand zijn vandaag. Iemand met een taak, een doel, een… tandenborstel.
Camus en de wekker
De Franse filosoof Albert Camus vond dat de enige echte vraag in het leven is: “Waarom zou je níét uitstappen?”
Zijn conclusie? Omdat we koppige, hoopvolle sukkels zijn. We weten dat het leven absurd is, maar toch… toch zetten we de wekker. Elke ochtend kiezen we voor nog een ronde. Tegen beter weten in. En dat maakt ons prachtig tragisch – of tragisch prachtig, het is maar hoe je het bekijkt.
Of misschien… misschien zijn we allang opgestaan, en is dit hele leven slechts een droom van iemand die zich elke ochtend opnieuw afvraagt of hij moet opstaan. En stel je voor dat je, terwijl je dit leest, ineens wakker schrikt – en beseft dat je nog steeds in bed ligt, en deze blog zich alleen in je hoofd afspeelde. Zou je dan alsnog opstaan?
En dan is er koffie
We kunnen het ook kleiner maken. Misschien sta je op voor de geur van koffie. Of omdat je hond je aankijkt alsof hij op het punt staat om zelf naar het toilet te gaan. Of omdat je weet dat iemand, ergens, misschien wel op jou rekent. Een cliënt, een collega, een geliefde, een wildvreemde met een lekke band.
Kleine redenen. Grote betekenis.
De humor van het bestaan
En toegegeven, soms is opstaan ook gewoon comedy. Je strompelt naar de badkamer, stoot je teen, realiseert je dat je shirt binnenstebuiten zit én achterstevoren, en je probeert met slaaphoofd een serieus gesprek te voeren met je spiegelbeeld. Als dát geen bevestiging van je mens-zijn is, weet ik het ook niet meer.
Dus waarom staan we op?
Niet omdat we het moeten. Niet altijd omdat we willen. Maar omdat we wíllen willen. Omdat ergens, diep vanbinnen, iets fluistert:
“Kom. Doe maar. Probeer vandaag nog één keer iets moois van het leven te maken. Al is het maar een kopje koffie in de zon.”
En dat, lieve lezer, is soms al reden genoeg.
Met opgewekte groet van onder het dekbed.