Ik vertrouw mijn waarneming niet blind. Dat heb ik nooit gedaan. Mijn ogen laten mij slechts een deel zien. Mijn geheugen vult aan, verdraait, vergeet. Mijn gevoel kleurt wat ik zie nog voordat ik er woorden aan geef.
Maar juist daarom begint denken voor mij bij waarnemen.
Niet bij willen. Niet bij hopen. Niet bij het verhaal dat mij goed uitkomt. Eerst kijken. Dan pas duiden.
Dat klinkt eenvoudiger dan het is.
Want kijken is moeilijk. Veel moeilijker dan oordelen. Wie oordeelt, hoeft de werkelijkheid niet altijd meer toe te laten. Hij kan haar ordenen naar wat hij al vond. Wie echt kijkt, loopt het risico dat hij ongelijk krijgt. Dat zijn overtuiging barst. Dat zijn nette wereldbeeld begint te lekken.
Misschien is dat wel waarom zoveel mensen liever verhalen maken dan werkelijkheden onder ogen zien.
Een verhaal is vriendelijker. Een verhaal heeft richting. Helden. Slachtoffers. Schuldigen. Een begin en een einde. Een verhaal maakt de werkelijkheid overzichtelijker dan zij is.
Maar de werkelijkheid is zelden overzichtelijk.
Zij is weerbarstig. Ze laat zich niet altijd voegen naar onze moraal. Ze trekt zich weinig aan van beleidstaal, wensdenken en publieke verontwaardiging. De werkelijkheid vraagt niet of wij haar passend vinden. Ze is er gewoon.
Toch lijkt juist dat uitgangspunt vandaag onder druk te staan.
Steeds vaker wordt waarneming vervangen door bedoeling. Niet wat er gebeurt telt, maar wat men graag wil dat het betekent. Niet de werkelijkheid staat centraal, maar het narratief eromheen. Niet de vraag “klopt dit?” maar “past dit binnen het verhaal dat wij willen vertellen?”
In de politiek zie je dat scherp. In organisaties ook. Zelfs in persoonlijke relaties.
Eerst ontstaat er een gewenst beeld. Daarna worden de feiten erbij gezocht. Wat niet past, wordt genuanceerd, hernoemd of genegeerd. En wie blijft wijzen op wat zichtbaar is, wordt al snel lastig gevonden.
Niet omdat hij ongelijk heeft.
Maar omdat hij het verhaal verstoort.
Dat is gevaarlijker dan het lijkt.
Want samenlevingen zijn uiteindelijk gestolde overtuigingen over wat werkelijk is en wie ertoe doet. Als die overtuigingen geen verbinding meer hebben met de werkelijkheid, ontstaat er bestuurlijke fictie. Dan worden problemen niet opgelost, maar talig verplaatst.
Een tekort wordt een uitdaging. Een mislukking wordt een leerproces. Chaos wordt transitie. Controleverlies wordt complexiteit. En onvermogen wordt zorgvuldig proces.
Taal wordt dan geen middel meer om werkelijkheid te verhelderen, maar om haar draaglijk te maken.
Ik begrijp de verleiding.
De werkelijkheid is vaak onaangenaam. Zij stelt vragen waarop wij geen antwoord hebben. Zij laat zien dat goede bedoelingen slechte gevolgen kunnen hebben. Zij toont dat mensen niet altijd maakbaar zijn, systemen niet altijd rechtvaardig en vooruitgang niet altijd vanzelfsprekend.
Maar wie de werkelijkheid ontwijkt, raakt uiteindelijk ook zijn handelingsvermogen kwijt.
Je kunt alleen veranderen wat je durft te zien.
Daarom wantrouw ik grote verhalen die te soepel lopen. Verhalen waarin alle schuld precies aan één kant ligt. Verhalen waarin de mens vooral slachtoffer is van omstandigheden en zelden verantwoordelijk voor keuzes. Verhalen waarin moraal het denken vervangt.
Niet omdat moraal onbelangrijk is.
Maar omdat moraal zonder werkelijkheid sentimenteel wordt.
En sentiment is een slechte bestuurder.
Ik wil blijven kijken. Voorzichtig, omdat mijn waarneming beperkt is. Maar niet vrijblijvend, omdat de werkelijkheid ertoe doet. Ik wil mij vergissen kunnen toestaan, maar mijzelf niet ontslaan van de plicht om te zien.
Misschien begint beschaving daar.
Niet bij gelijk hebben.
Maar bij het vermogen om werkelijkheid te verdragen.