Stel je voor: we leven in een tijd waarin we meer weten dan ooit. We kunnen alles meten, berekenen, voorspellen. We bouwen raketten, maken supercomputers, laten AI diagnoses stellen. De mens heeft de natuur veroverd. En toch… voelt het leeg. Alsof er iets essentieels verloren is gegaan.
Max Horkheimer, een Duitse denker uit de vorige eeuw, zag dat al aankomen. Hij maakte deel uit van de zogeheten Frankfurter Schule – een groep filosofen en sociologen die zich ernstig zorgen maakte over de koers van onze samenleving. Ze waren kritisch, radicaal zelfs, en vooral: ze dachten diep na over vrijheid, macht, en de rol van de rede in onze cultuur.
Horkheimer stelde iets wat je op het eerste gezicht misschien bizar vindt: dat beschaving en terreur bij elkaar horen. Ja, je leest het goed. Juist onze ‘beschaafde’ wereld, met al haar regels, wetenschap en vooruitgang, kan een bron van onderdrukking worden. Hoe dan?
Het sleutelwoord is instrumentele rede. Dat klinkt abstract, maar je kent het wel. Het is de manier van denken waarbij we ons vooral afvragen: “Wat werkt?”, “Wat levert het op?”, “Hoe bereiken we het doel zo snel en efficiënt mogelijk?” We stellen zelden nog de vraag waarom iets waardevol is – alleen hoe we het voor elkaar krijgen.
En dat is precies het probleem, zegt Horkheimer. We zijn vergeten dat rede ooit bedoeld was om mensen te bevrijden – van angst, bijgeloof, onderdrukking. Maar in plaats daarvan gebruiken we ons verstand steeds meer als een machine: om te controleren, te berekenen, te produceren, te beheersen. Alles moet meetbaar zijn, functioneel, nuttig. Wat daar niet aan voldoet – liefde, poëzie, stilte, zingeving – telt steeds minder mee.
Zo verandert vrijheid langzaam in haar tegendeel. We worden ‘vrij’ in een wereld waar alles gecontroleerd wordt. We mogen kiezen tussen duizend producten, maar onze denkwereld wordt steeds smaller. De samenleving raakt versnipperd in groepen die elkaar beconcurreren, terwijl we tegelijk cultureel steeds meer op elkaar gaan lijken. Muziek, film, kunst – alles moet toegankelijk zijn, veilig, verkoopbaar. Horkheimer noemde dat de ‘cultuurindustrie’: een soort lopende band voor onze beleving.
Toch is er een belangrijk kantelpunt dat Horkheimer en zijn collega’s vaak over het hoofd zagen. Want ondanks alle terechte kritiek op rationalisering, nivellering en de schaduwkanten van vooruitgang, leefden ze in een samenleving die – paradoxaal genoeg – die kritiek mogelijk maakte. In andere woorden: ze konden hun analyses publiceren, verspreiden en bediscussiëren, juist omdat ze in een vrije maatschappij leefden.
En die vrijheid is onlosmakelijk verbonden met het systeem dat ze bekritiseerden: het kapitalisme. Niet volmaakt, zeker niet. Maar wel superieur aan alle alternatieven die de 20e eeuw heeft voortgebracht. Kapitalisme stelt mensen in staat om hun stem te laten horen, eigendom op te bouwen, ideeën te ontwikkelen, fouten te maken en opnieuw te beginnen. Geen ander systeem gaf de mens zó veel ruimte voor creativiteit én kritiek – zelfs op het systeem zelf.
Het is goed om kritisch te blijven op hoe de moderne samenleving functioneert. Om stil te staan bij wat we kwijtraken als alles draait om efficiëntie, nut en controle. Maar laten we niet vergeten dat het juist het open, kapitalistische model is dat ons in staat stelt die vragen te stellen – zonder angst, zonder censuur, zonder heropvoedingskampen.
De filosofen van de Frankfurter Schule waren geen cynici. Ze geloofden in vrijheid, in menselijkheid, in het doorbreken van systemen die ons klein houden. Maar misschien zagen ze te weinig dat vrijheid en vooruitgang ook mogelijk zijn dankzij het systeem dat ze bekritiseerden.
Misschien is het tijd dat we die vrijheid opnieuw leren waarderen. Niet als vanzelfsprekendheid, maar als een kostbaar goed – dat we niet verliezen door de markt, maar juist door het denken op te geven.
Vrijheid begint bij de vraag durven stellen. Maar ze overleeft alleen als we ook het antwoord durven erkennen.
Merk jij ook dat je vaker vraagt hoe iets kan, en minder waarom het waardevol is?