Het kleine dorp in de ziel


Ergens in ieder mens ligt een klein Gallisch dorp dat zich niet zomaar laat bezetten.

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar bij het kleine Gallische dorp denk ik onmiddellijk aan Asterix en Obelix. Aan die paar koppige Galliërs die weigeren zich te laten inlijven door het machtige Romeinse Rijk. Heel Gallië is bezet, behalve dat ene kleine dorpje aan de rand van de beschaving. Daar wordt nog gelachen, gevochten, gegeten, gezongen en eindigt bijna ieder avontuur met een feestmaal onder de sterren.

Dat dorpje is natuurlijk kinderlijk eenvoudig. De Romeinen zijn dommig, Obelix is sterk, Asterix is slim, Panoramix brouwt zijn toverdrank en als het misloopt krijgen de Romeinen een tik op hun helm. Daarna is alles weer goed.

Was het leven maar zo overzichtelijk.

Toch zit er onder die vrolijke strips een serieuze moraal. Het dorp wint niet omdat het groter is. Het wint niet omdat het rijker is. Het wint zelfs niet omdat het beter georganiseerd is. Het wint omdat het zichzelf blijft. Omdat er vriendschap is. Omdat men elkaar kent. Omdat er een gemeenschappelijke taal, humor en geschiedenis bestaat. Omdat niemand in dat dorp alleen staat tegenover de macht van Rome.

Het kleine dorp verdedigt niet alleen grondgebied. Het verdedigt een manier van leven.

En misschien is dat precies waarom Asterix en Obelix ons blijven raken. Niet omdat wij allemaal graag een Romein door de lucht zouden willen slaan, hoewel ik niet ontken dat sommige vergaderingen die gedachte wel eens oproepen, maar omdat we diep vanbinnen weten dat ieder mens iets te verdedigen heeft.

Niet met zwaarden. Niet met vuisten. Niet met toverdrank.
Maar met trouw.

Trouw aan wie je bent.
Trouw aan je geweten.
Trouw aan je taal.
Trouw aan je herinneringen.
Trouw aan je vermogen om schoonheid te blijven zien, ook wanneer de wereld lelijk wordt.

En toen moest ik denken aan Etty Hillesum.
Dat lijkt op het eerste gezicht een vreemde sprong. Van Asterix naar Etty Hillesum. Van stripboek naar dagboek. Van vrolijke Romeinen naar de vernietigingsmachine van de twintigste eeuw. Van het feestmaal aan het einde van het verhaal naar Auschwitz, waar geen feestmaal meer kwam.

Toch ligt daar een verband.

Etty Hillesum had geen Obelix naast zich. Geen Panoramix met een ketel toverdrank. Geen dorp dat collectief achter haar stond. Zij leefde in een tijd waarin de beschaving niet langzaam kraakte, maar bruut openscheurde. De wereld om haar heen werd steeds onmenselijker. Namen werden nummers. Mensen werden categorieën. Angst werd beleid. Vernedering werd systeem.

En toch bleef zij zoeken naar betekenis.

Dat is misschien wel het meest indrukwekkende aan haar werk. Niet dat zij naïef was. Niet dat zij niet zag wat er gebeurde. Integendeel. Juist omdat zij zag wat er gebeurde, werd haar innerlijke houding zo belangrijk. Zij wist dat een mens uiterlijk steeds meer kan worden afgenomen. Je vrijheid. Je huis. Je toekomst. Je veiligheid. Uiteindelijk zelfs je lichaam.

Maar zij weigerde haar innerlijke beschaving op te geven.
Daar zit de diepe verwantschap met dat kleine Gallische dorp.

Asterix verdedigt het dorp buiten de mens.
Etty Hillesum verdedigt het dorp in de mens.

Dat innerlijke dorp bestaat uit kwetsbare dingen. Uit woorden. Stilte. Herinneringen. Mededogen. Verwondering. Liefde. Een bloem in een vaas. Een zin in een dagboek. Een gebed zonder grote woorden. Het vermogen om niet helemaal samen te vallen met de omstandigheden waarin je leeft.

Want dat is wat macht vaak probeert te doen. Macht wil niet alleen gehoorzaamheid. Macht wil ook bezitnemen van je binnenwereld. Zij wil bepalen wat je denkt, wat je zegt, wat je voelt, waar je bang voor bent en waarover je zwijgt.

De Romeinen wilden het dorp onderwerpen.

De moderne systemen willen vaak hetzelfde, alleen dragen ze tegenwoordig geen sandalen meer. Ze komen niet altijd binnen met speren en schilden. Soms komen ze binnen als formulieren, protocollen, algoritmen, ideologieën. Ze zeggen niet: “Geef u over.” Ze zeggen: “Zo doen wij dat hier nu eenmaal.”

En voor je het weet, is je kleine dorp bezet.

Niet omdat iemand de poort heeft opengebroken, maar omdat je zelf de sleutel hebt afgegeven. Uit vermoeidheid. Uit angst. Uit behoefte erbij te horen. Uit het verlangen niet lastig te zijn. Uit het stille gemak van meebewegen.

Dat is misschien wel de gevaarlijkste bezetting: de bezetting die je niet direct merkt.

Je lacht minder. Je spreekt voorzichtiger. Je schrijft vlakker. Je denkt in toegestane zinnen. Je voelt dat je iets vindt, maar je zegt het niet meer. Je kijkt naar schoonheid, maar registreert vooral risico. Je hoort onrecht, maar noemt het complex. Je ziet lafheid, maar noemt het bestuurlijke sensitiviteit.

En ergens in dat proces wordt het stil in het dorp.

Etty Hillesum laat zien dat beschaving niet begint bij instituties. Niet bij wetten. Niet bij gebouwen. Niet bij beleidsnota’s. Beschaving begint in de mens die weigert zijn ziel te laten koloniseren.

Dat klinkt groot, maar het begint klein.

Het begint wanneer je weigert cynisch te worden.
Wanneer je weigert een ander alleen nog als tegenstander te zien.
Wanneer je weigert je geweten uit te besteden aan de meerderheid.
Wanneer je blijft luisteren, ook als schreeuwen makkelijker is.
Wanneer je schoonheid blijft zien, niet als luxe, maar als noodzaak.
Wanneer je een mens blijft zien waar het systeem een dossier ziet.

Misschien is dat wel de reden waarom haar teksten nog steeds leven. Niet omdat zij de geschiedenis heeft overwonnen. Dat heeft zij niet. Zij is vermoord. De buitenwereld heeft haar niet gespaard. Er kwam geen reddende Obelix. Geen Romein die met een blauw oog afdroop. Geen vrolijk slotbanket.

En toch heeft zij iets bewaard.

Zij heeft laten zien dat een mens tot het laatst toe verantwoordelijk blijft voor de ruimte in zichzelf. Niet schuldig aan alles wat hem overkomt, dat is een wrede gedachte, maar wel verantwoordelijk voor de vraag of hij zijn innerlijke dorp volledig laat innemen door haat, angst en verbittering.

Dat is geen geringe opdracht.

Wie eerlijk is, weet hoe snel dat dorp onder druk komt te staan. Niet alleen in oorlogstijd. Ook in gewone tijden. Misschien juist in gewone tijden, omdat we dan niet doorhebben dat het gebeurt.

Er zijn mensen die verbitterd raken door teleurstelling. Mensen die hard worden door verlies. Mensen die zich afsluiten omdat openheid te veel pijn heeft gedaan. Mensen die hun humor verliezen omdat ernst veiliger lijkt. Mensen die hun geweten parkeren omdat het salaris, de positie of de groep belangrijker werd.

En zo raakt het dorp verlaten.

Niet in één dag. Niet door één besluit. Maar door kleine concessies. Vandaag een beetje minder eerlijk. Morgen een beetje minder moedig. Overmorgen een beetje minder menselijk. En na verloop van tijd kijk je in de spiegel en herken je nog wel je gezicht, maar niet meer helemaal je blik.

Daarom vind ik dat beeld van dat kleine dorp in de ziel zo waardevol.

Het vraagt niet van ons dat we helden worden. De meeste mensen zijn geen helden. Ik vermoed zelfs dat veel heldendom pas achteraf wordt ontdekt, meestal door mensen die er zelf niet bij waren. Maar het vraagt wel dat we bewaken wat ons menselijk houdt.

Iedereen heeft zo’n dorp.

Bij de een bestaat het uit geloof.
Bij de ander uit muziek.
Bij weer een ander uit vriendschap, taal, zorg, humor, herinnering of liefde.

Soms is het een moeder die vroeger zong.
Soms een vader die zweeg, maar trouw bleef.
Soms een zin uit een boek.
Soms een kind dat je aankijkt alsof de wereld nog niet verloren is.

En misschien is dat ook waar beschaving uiteindelijk op rust. Niet op de grote woorden waarmee machthebbers zichzelf rechtvaardigen. Niet op de instituten die zeggen dat ze namens ons handelen. Niet op de luidruchtige meningen van de dag. Beschaving rust op mensen die hun innerlijke dorp niet prijsgeven.

Mensen die blijven denken.

Blijven voelen. Blijven spreken. Blijven zorgen. Blijven lachen. Blijven weigeren om de ander te ontmenselijken.

Asterix leert ons dat een kleine gemeenschap weerstand kan bieden aan een groot rijk.
Etty Hillesum leert ons dat een mens weerstand kan bieden aan ontmenselijking, zelfs wanneer de uiterlijke strijd verloren lijkt.

En wij?

Wij leven niet in een stripboek en gelukkig ook niet in de wereld waarin Etty Hillesum moest leven. Maar dat ontslaat ons niet van de vraag. Want iedere tijd heeft zijn Romeinen. Iedere tijd heeft zijn druk om mee te buigen. Iedere tijd heeft zijn systemen die zeggen dat gehoorzaamheid verstandiger is dan geweten.

De vraag is dus niet alleen wie ons bedreigt van buitenaf.

De vraag is ook wie wij binnenlaten.

Wie krijgt toegang tot ons denken?
Wie bepaalt onze taal?
Wie bestuurt onze verontwaardiging?
Wie koloniseert onze angst?
Wie rooft onze verwondering?
Wie dooft het vuur op het dorpsplein?

Misschien begint vrijheid niet met grote revoluties. Misschien begint vrijheid met een stille weigering.

De weigering om je ziel te laten bezetten.
De weigering om schoonheid belachelijk te vinden.
De weigering om bitterheid voor wijsheid aan te zien.
De weigering om menselijkheid op te offeren aan macht, mode of gemak.

Ergens in ieder mens ligt een klein dorp.

Het is kwetsbaar. Het is soms rommelig. Er wordt geruzied, gelachen, gezongen en getwijfeld. Niet alles is er netjes. Niet alles is er verstandig. Soms loopt er een Obelix doorheen die te hard duwt. Soms een bard die beter even kan zwijgen. Soms een dorpshoofd dat vooral gedragen wil worden.

Maar het leeft.
En zolang dat dorp leeft, is niet alles verloren.