Sid Lukkassen schetst in “Avondland en identiteit” een Europa dat zijn zelfvertrouwen heeft verloren. Niet door één vijand van buiten, maar door een langdurige verschuiving van binnenuit: in waarden, in taal en in het idee van waarheid zelf.
Zijn centrale stelling is scherp. Sinds de culturele omwentelingen van de jaren zestig is gelijkheid niet langer primair economisch gedacht, maar cultureel en moreel. De nadruk verschoof van traditie en hiërarchie naar individuele bevrijding, erkenning en intentie. Dat bracht reële winst, zeker op het terrein van rechten en emancipatie, maar volgens Lukkassen ook een prijs: het verlies van gedeelde normen en van een gemeenschappelijk verhaal.
Waar vroeger waarheid vooral langs empirische en rationele lijnen werd bevochten, is in het publieke debat steeds vaker de beleving doorslaggevend geworden. Niet het resultaat, maar de bedoeling kreeg prioriteit. Niet overeenstemming over feiten, maar pluraliteit van perspectieven. Dat heeft ruimte gegeven aan groepen die eerder niet werden gehoord. Tegelijk maakte het de publieke arena fragieler, omdat zonder gedeeld waarheidskader ook consensus moeilijker wordt.
Lukkassen verbindt die ontwikkeling aan een bredere culturele diagnose. Europa, zo stelt hij, heeft afstand genomen van waarden die het ooit sterk maakten: discipline, plichtsbesef, trots, institutionele continuïteit. Daarvoor in de plaats kwam een stijl van besturen die vooral conflict mijdt en iedereen recht wil doen. Menselijk sympathiek, geopolitiek kwetsbaar, is zijn oordeel.
Hij trekt de vergelijking met beschavingen die wel een sterk collectief ethos bewaren, zoals China, Rusland en delen van de islamitische wereld. Of men die vergelijking geheel deelt of niet, de onderliggende vraag is legitiem: kan een samenleving op lange termijn concurreren zonder gedeelde normen, zonder grensbewustzijn en zonder bereidheid tot zelfverdediging?
Een omstreden, maar intrigerend onderdeel van zijn analyse gaat over vrijheid en begeerte. Formele vrijheid leidt niet automatisch tot gelijkheid in uitkomsten. Ook op relationeel en seksueel terrein ontstaan marktdynamieken, waarin status, uiterlijk en succes ongelijk verdeeld worden beloond. Dat motief sluit aan bij Houellebecq, die vroeg beschreef hoe markttaal intieme sferen binnendringt. De vraag die daaruit volgt is ongemakkelijk maar relevant: wat gebeurt er met sociale cohesie wanneer steeds meer domeinen als competitie worden beleefd?
Lukkassen schrijft geëngageerd en soms met een apocalyptische ondertoon. Zijn slotbeelden van een beschaving in “doodsdrift” zullen sommigen te zwaar vinden. Toch raakt hij aan iets dat veel mensen, ook buiten zijn politieke kamp, herkennen: een diffuus gevoel van ont-ankering. Alsof Europa wel nog instituties heeft, maar minder overtuiging over waarom die instituties bestaan.
Wat dit boek voor mij persoonlijk zichtbaar maakte, is niet dat één denkschool overal schuldig aan is, maar dat ik zelf te lang heb vertrouwd op simplificaties. Ik nam morele taal te vaak voor werkelijkheid aan. Ik verwarde intentie met effect. En ik zag te laat dat een cultuur die alleen leert ontmaskeren, op den duur ook haar eigen fundamenten ontmantelt.
Daarom is mijn conclusie niet nostalgie, maar heroriëntatie. Een volwassen Europa hoeft niet terug naar het verleden, maar moet wel opnieuw kiezen wat het wil bewaren: waarheid als toets, verantwoordelijkheid als norm, en identiteit als voorwaarde voor solidariteit. Zonder die drie blijft alleen beheer over. Met die drie wordt vernieuwing weer mogelijk.