Socrates vertrouwde de democratie niet. Niet omdat hij vond dat gewone mensen niets te zeggen mochten hebben, maar omdat hij bestuur zag als een vak.
Wie ziek is, laat zich behandelen door een arts. Wie een brug wil bouwen, zoekt een ingenieur. Wie in een vliegtuig stapt, wil dat er een opgeleide piloot in de cockpit zit.
Maar wanneer het gaat over oorlog en vrede, miljarden aan belastinggeld, energievoorziening, gezondheidszorg of de toekomst van een land, doen we alsof iedere overtuiging evenveel waard is als kennis.
Dat is vreemd.
Socrates vergeleek de staat met een schip. Wanneer dat schip in een storm terechtkomt, laat je de bemanning niet stemmen over wie het roer krijgt. Je kiest degene die kan navigeren, het weer begrijpt en weet hoe het schip reageert. Niet degene die het hardst roept dat hij de beste kapitein is.
In onze democratie gebeurt vaak het tegenovergestelde.
Politici worden niet uitsluitend geselecteerd op inzicht, ervaring of bestuurlijke bekwaamheid. Ze worden geselecteerd op hun vermogen om zichtbaar te zijn, eenvoudige boodschappen te formuleren en kiezers het gevoel te geven dat zij worden begrepen.
De verkiezingscampagne is daardoor steeds minder een inhoudelijke beoordeling en steeds meer een talentenjacht.
Wie scoort op televisie? Wie domineert het debat? Wie formuleert de beste oneliner? Wie weet boosheid, angst of hoop het effectiefst te mobiliseren? De beste campagnevoerder is echter niet vanzelfsprekend de beste bestuurder.
Dat onderscheid lijkt steeds verder te verdwijnen. Politiek is een permanent communicatiebedrijf geworden. Partijen testen woorden, beelden en emoties. Beleidsvoornemens worden niet alleen beoordeeld op hun werking, maar vooral op hun verkoopbaarheid. Een ingewikkeld probleem moet passen in een filmpje van dertig seconden. Twijfel geldt als zwakte. Nuance als lafheid. Toegeven dat iets niet werkt, wordt afgestraft.
Daarmee krijgt Socrates alsnog gelijk: retorica wint het steeds vaker van waarheid. Maar het probleem zit niet alleen bij politici. Ook de burger is veranderd. De moderne kiezer is niet meer uitsluitend deelnemer aan de democratie, maar ook consument ervan. Hij verwacht herkenning, directe resultaten en bevestiging van zijn wereldbeeld. Politiek moet leveren zoals een webwinkel levert: snel, persoonlijk en zonder ongemak.
Een bestuurder die zegt dat een probleem ingewikkeld is, dat oplossingen pijn doen of dat resultaten pas over tien jaar zichtbaar zijn, verkoopt een onaantrekkelijk product. De politicus die belooft dat het probleem eenvoudig is en vooral door anderen wordt veroorzaakt, heeft het gemakkelijker.
Democratie beloont daardoor niet altijd degene die het probleem begrijpt. Zij beloont degene die het probleem het overtuigendst vereenvoudigt.
Sociale media hebben dit mechanisme versneld. Verontwaardiging verspreidt zich sneller dan analyse. Zekerheid scoort beter dan twijfel. Een leugen die aansluit bij een bestaande overtuiging heeft meer bereik dan een waarheid die om heroverweging vraagt. De hedendaagse demagoog staat niet meer op het marktplein van Athene. Hij zit in iedere telefoon.
Toch zou het te gemakkelijk zijn om hieruit te concluderen dat deskundigen dan maar de macht moeten overnemen. Ook experts kunnen zich vergissen. Zij kunnen tunnelvisie ontwikkelen, belangen hebben of zich verschuilen achter modellen die slechts een deel van de werkelijkheid beschrijven. Technocratie zonder democratische controle is even gevaarlijk als democratie zonder deskundigheid.
De echte vraag is daarom niet of het volk of de expert moet regeren.
De vraag is hoe we democratische legitimiteit kunnen verbinden met bestuurlijke bekwaamheid.
Dat vraagt meer dan verkiezingen. Het vraagt burgers die bereid zijn zich te informeren, media die niet iedere discussie reduceren tot conflict, politici die durven zeggen dat een eenvoudige oplossing niet bestaat en instituties die langetermijnkennis beschermen tegen de waan van de dag.
Het vraagt bovendien dat we opnieuw onderscheid maken tussen een mening en een oordeel. Iedereen heeft recht op een mening. Maar een verantwoord oordeel vereist kennis, reflectie en de bereidheid om de eigen overtuiging ter discussie te stellen. En het vraagt om moed.
Dat was de kern van Socrates’ filosofie. Hij beweerde niet dat hij alles wist. Hij stelde juist vast hoe weinig mensen werkelijk onderzochten wat zij dachten te weten.
Misschien is dat het grootste democratische probleem van onze tijd. Niet dat burgers te weinig mogen zeggen, maar dat wij nauwelijks nog verwachten dat iemand eerst nadenkt voordat hij spreekt.
Een democratie waarin populariteit belangrijker wordt dan bekwaamheid, emoties zwaarder wegen dan feiten en iedere correctie wordt gezien als een aanval, bestuurt zichzelf niet meer.
Zij laat zich besturen.
Niet door de meest wijzen. Niet noodzakelijk door de besten. Maar door degenen die het handigst hebben geleerd hoe de menigte werkt.