De stilte van de vitaliteit


Er is een merkwaardige stilte over het land gevallen. Niet de weldadige stilte van rust, maar de gedempte stilte van ingehouden adem. Mensen spreken nog wel, maar zelden vrijuit. Woorden zijn behoedzaam geworden, alsof ieder zinnetje eerst door een onzichtbare filter moet, voordat het de lucht in mag. We zijn beleefd, zorgvuldig, voorzichtig – maar ook moe.

Er was een tijd dat woorden sprongen als vonken uit een vuur. Dat men nog durfde te denken zonder vooraf te berekenen wat het mocht kosten. Waar men zich verwonderde, lachte, verontwaardigd was, ruzie maakte en het daarna weer goed kon maken. Dat was vitaliteit – het stromende leven dat niet vroeg om toestemming.

Vandaag is er structuur. Regels, kaders, richtlijnen, protocollen, codes. Alles met de beste bedoelingen bedacht, om te beschermen wat kwetsbaar is. Maar in dat beschermen schuilt ook het verstikken. Want hoe meer structuur, hoe minder ruimte er overblijft voor de adem van het onvoorspelbare – en precies daar woont de ziel.

De paradox van onze tijd is dat we vrijheid aanbidden, maar haar voortdurend beperken uit angst haar te verliezen.
We zeggen dat iedereen zichzelf mag zijn, zolang het maar binnen de toegestane grenzen van dat begrip valt. We roepen om diversiteit, maar schrikken zodra een stem werkelijk anders klinkt. En wie vragen stelt bij de heersende moraal, krijgt niet langer een antwoord, maar een etiket.

Soms denk ik dat zwijgen de enige manier is om trouw te blijven aan wat ik werkelijk denk. Niet uit lafheid, maar uit zorg. Want wat levend is, is ook kwetsbaar.
Een gedachte die te vroeg wordt uitgesproken, wordt vermalen door de logica van de tijd. En dus bewaar ik haar liever even – als een zaadje onder de sneeuw.

Er is een vorm van stilte die geen vlucht is, maar bescherming.
In die stilte groeit iets wat sterker is dan verzet: het besef dat vitaliteit zich niet laat doden, alleen verplaatsen.
Ze trekt zich terug uit de arena van de meningen en zoekt haar toevlucht in het persoonlijke, het intieme, het menselijke.
In de aanraking van zorg, in het gesprek zonder oordeel, in het schrijven dat niet overtuigen wil maar begrijpen.

Vitaliteit is geen eigenschap van systemen, maar van mensen.
Ze verschijnt telkens weer waar iemand weigert te verharden, waar iemand de moed heeft te blijven voelen.
Ze leeft in de kleine momenten van eerlijkheid, waarin iets van waarheid door de scheuren van de structuur naar binnen valt.

Wie goed luistert, hoort haar nog – onder het rumoer van beleid, onder de perfectie van formulieren, onder de morele druk van gelijkheid.
Ze spreekt zacht, maar vastberaden.
Ze zegt: “ik ben er nog”.

En misschien is dat genoeg.
Niet om het systeem te breken, maar om het leven te bewaren.
Niet om te winnen, maar om trouw te blijven aan de beweging die alle beschaving draagt:
dat na elke periode van verstarring, ergens, iemand weer begint te ademen.

Epiloog
Oswald Spengler zag al een eeuw geleden hoe beschavingen sterven aan hun eigen vorm: eerst is er de scheppende ziel van een cultuur, daarna de versteende orde van een beschaving. Jan Rotmans noemt het een verandering van tijdperk – een overgang waarin oude systemen afbrokkelen en iets nieuws nog geen naam heeft.

Maar misschien is het eenvoudiger dan dat.
Vitaliteit is geen historisch stadium, maar een keuze.
Ze verschijnt telkens waar iemand weigert te reduceren wat leeft tot wat meetbaar is.
Waar iemand zegt: de mens is meer dan zijn structuur.

Zo bezien is elke ademteug, elk vrij woord, elk gebaar van medemenselijkheid een vorm van verzet tegen de verstarring.
Niet het luidruchtige verzet van strijd, maar het stille verzet van leven zelf.
En dat, hoe klein ook, is genoeg om te beginnen met ademen – opnieuw.