Artificial intelligence wordt vaak gepresenteerd als een hulpmiddel. Een soort bijzonder slimme nietmachine die toevallig ook diagnoses kan stellen, sollicitanten kan selecteren en kredietaanvragen kan beoordelen.
Dat is geruststellend.
Een hulpmiddel hoeft immers alleen goed te worden ingevoerd. Daarvoor richten we een stuurgroep op, schrijven we een kader en plannen we na de zomer een eerste evaluatie.
De technologische realiteit haalt die plannen links en rechts in.
De technologie ontwikkelt zich sneller dan organisaties besluiten kunnen nemen. Terwijl een commissie bespreekt welke uitgangspunten leidend moeten zijn, heeft een nieuw systeem alweer duizenden aanvragen beoordeeld, teksten geschreven en functies gedeeltelijk overbodig gemaakt.
De vraag is daarom niet alleen wat AI kan.
De belangrijkere vraag is: wat moet een mens blijven doen, juist wanneer een machine het sneller kan?
Een algoritme kan patronen herkennen. Het kan dossiers vergelijken en voorspellingen doen. Het kan waarschijnlijk ook keurig uitleggen waarom een aanvraag volgens regel 14b niet voldoet.
Maar het kan niet verantwoordelijk zijn.
Het voelt niet wat een beslissing met iemand doet. Het kent geen twijfel en draagt geen moreel ongemak mee naar huis. Voor veel bestuurders klinkt dat als een zegen. Want een machine die beslist, biedt een veilige schuilplaats. Weg van de weerbarstige praktijk, diep de comfortabele systeemwereld in, waar een vinkje op een scherm de plaats inneemt van een echt gesprek.
De menselijke maat verdwijnt niet doordat technologie onmenselijk is. Zij verdwijnt wanneer mensen besluiten dat snelheid, consistentie en kostenbesparing belangrijker zijn dan oordeel, uitleg en nabijheid.
Dan heeft AI niets overgenomen.
Dan hebben wij het zelf weggegeven.