Waarnemen is geen vrijblijvende bezigheid


Soms vraag ik mij af wat het wezen is van wat ik waarneem.

Niet uit twijfelzucht. Niet omdat ik mij wil verliezen in eindeloze filosofische zijpaden. En ook niet omdat ik geloof dat de werkelijkheid uiteindelijk onkenbaar is. Integendeel. Ik wil juist blijven geloven dat er een werkelijkheid bestaat buiten mij. Buiten mijn stemming, mijn voorkeur, mijn herinnering, mijn angst, mijn hoop en mijn behoefte om gelijk te krijgen.

Maar juist daarom moet ik voorzichtig zijn.

Waarnemen lijkt eenvoudig. Je kijkt, je hoort, je voelt, je trekt een conclusie. Zo doen we dat de hele dag. We zien iemand zwijgen en denken: hij is boos. We horen een politicus spreken en denken: hij liegt. We lezen een rapport en denken: dit klopt. We kijken naar de wereld en denken: ik zie wat er aan de hand is.

Maar meestal zien we maar een fractie.

Onze zintuigen tonen ons niet de werkelijkheid zelf, maar een opening. Een kier. Een beperkt venster waardoor iets van de werkelijkheid zichtbaar wordt. Wat wij daarna doen, is minstens zo belangrijk als wat wij zien. We ordenen. We vullen aan. We interpreteren. We verbinden oude ervaringen met nieuwe indrukken. En voordat we het weten, hebben we geen waarneming meer, maar een verhaal.

Dat verhaal kan waar zijn. Maar het kan ook vooral van onszelf zijn.

Daarom is waarnemen voor mij geen passieve handeling. Het is discipline. Misschien zelfs een vorm van morele oefening. Wie werkelijk wil waarnemen, moet zichzelf wantrouwen zonder cynisch te worden. Hij moet zijn eerste oordeel durven parkeren. Hij moet kunnen zeggen: dit zie ik, maar ik weet nog niet wat het betekent.

Dat klinkt bescheiden. In onze tijd is het bijna revolutionair.

Want wij leven in een tijd waarin de waarneming vaak onmiddellijk wordt overgenomen door de wens. Niet: wat is er aan de hand? Maar: wat zou ik willen dat er aan de hand is? Niet: wat toont de werkelijkheid? Maar: welk verhaal past bij mijn overtuiging?

Zo ontstaat een gevaarlijke verwisseling.

Werkelijkheid wordt vervangen door verhaal.
Feiten worden ondergeschikt aan gevoel.
Waarnemen wordt kiezen wat men wil zien.

Ik zie dat overal. In politiek, in zorg, in onderwijs, in media, in organisaties, maar ook in gewone menselijke relaties. Mensen kijken niet meer eerst. Ze positioneren zich. Ze vragen niet: wat gebeurt hier? Ze vragen: aan welke kant hoor ik te staan?

Daarmee verliezen we iets wezenlijks.

Want beschaving begint niet bij gelijk hebben. Beschaving begint bij werkelijkheidszin.

Een samenleving kan veel verdragen. Verschillen van mening. Politieke strijd. Economische tegenslag. Culturele spanning. Zelfs onzekerheid. Maar een samenleving die niet meer gezamenlijk wil onderzoeken wat werkelijk is, raakt haar fundament kwijt. Dan blijft er alleen macht over. Of sentiment. Of beheer.

Wie niet meer waarneemt, maar alleen nog bevestiging zoekt, leeft uiteindelijk in een gesloten kamer.
En in gesloten kamers wordt de lucht slecht.

Ik noem mijzelf graag realist. Niet omdat ik denk dat ik altijd gelijk heb. Juist niet. Een echte realist weet hoe beperkt zijn blik is. Hij weet dat zijn waarneming voorlopig is. Gebrekkig. Gekleurd. Maar hij weigert de conclusie dat daarom alles maar betrekkelijk is.

Dat is voor mij het verschil tussen nederigheid en relativisme.

Nederigheid zegt: ik zie maar een deel, dus ik moet beter kijken.
Relativisme zegt: iedereen heeft zijn eigen waarheid, dus kijken doet er niet meer toe.

Dat laatste vind ik gevaarlijk. Want zodra waarheid wordt ingeruild voor beleving, verdwijnt ook de mogelijkheid om elkaar nog werkelijk te corrigeren. Dan wordt elk gesprek een botsing tussen identiteiten. Elk bezwaar een aanval. Elke feitelijke correctie een vorm van geweld.

Dan wordt denken onmogelijk.
En waar denken onmogelijk wordt, neemt ideologie het over.

De tegenstelling tussen realisme en idealisme is daarom niet alleen filosofisch. Zij is ook maatschappelijk. Het idealisme begint vaak mooi. Met een verlangen naar rechtvaardigheid, gelijkheid, harmonie of menselijke waardigheid. Daar is op zichzelf niets mis mee. Zonder idealen wordt een samenleving koud.

Maar zodra het ideaal de waarneming verdringt, wordt het gevaarlijk.

Dan zien we niet meer de mens die voor ons staat, maar de categorie waartoe hij behoort. Dan zien we niet meer de gevolgen van beleid, maar alleen de bedoeling ervan. Dan zien we niet meer de schade die ontstaat, omdat het doel moreel zo aantrekkelijk klinkt.

Wie alleen vanuit het ideaal kijkt, ziet vaak niet wat hij aanricht.

Dat is misschien wel de tragiek van veel goede bedoelingen. Ze beginnen met mededogen en eindigen in ontkenning. Want de werkelijkheid is weerbarstig. Mensen gedragen zich niet volgens beleidsnota’s. Samenlevingen laten zich niet eindeloos modelleren. Culturen zijn geen klei. Economie is geen moreel verlanglijstje. Zorg is geen spreadsheet. En een mens is geen project.

Toch proberen we het telkens opnieuw.

We ontwerpen systemen alsof de werkelijkheid zich zal voegen naar onze abstracties. We maken regels voor uitzonderingen en uitzonderingen voor regels. We bouwen instituties die steeds verder van de menselijke maat af komen te staan. En wanneer het niet werkt, maken we zelden pas op de plaats. We maken meestal meer beleid.

Meer taal.
Meer toezicht.
Meer beheer.
Maar beheer is geen leven.

Beheer kan nodig zijn. Een samenleving zonder bestuur wordt chaos. Een organisatie zonder structuur valt uit elkaar. Een zorginstelling zonder afspraken wordt gevaarlijk. Maar wanneer beheer het levende contact vervangt, gebeurt er iets onheilspellends. Dan wordt de mens een dossier. De cliënt een casus. De burger een nummer. De professional een uitvoerder. De werkelijkheid een formulier.

En formulieren kunnen niet zien.
Mensen wel.
Tenminste, als zij durven.

Misschien is dat waarom waarnemen mij zo bezighoudt. Omdat het niet alleen een manier van denken is, maar ook een manier van leven. Wie waarneemt, stelt zich bloot. Hij kan niet langer schuilen achter slogans, systemen of oude zekerheden. Hij moet toelaten dat de werkelijkheid hem corrigeert.

Dat is ongemakkelijk.
Soms zelfs pijnlijk.

Want wie werkelijk kijkt, ziet ook wat hij liever niet ziet. Dat zijn overtuigingen niet altijd kloppen. Dat zijn kamp niet altijd deugt. Dat zijn tegenstander soms een punt heeft. Dat zijn goede bedoelingen schade kunnen veroorzaken. Dat zijn boosheid soms vermomde angst is. Dat zijn gelijk soms minder belangrijk is dan de waarheid.

Daarom kijken veel mensen liever niet.

Zij voelen wel dat er iets wringt, maar geven er snel een naam aan die hen geruststelt. Ze noemen het incident. Uitzondering. Overgangsfase. Communicatieprobleem. Beeldvorming. Polarisatie. Pech. Ze houden de taal keurig, zodat de werkelijkheid niet te dichtbij komt.

Maar de werkelijkheid laat zich niet eindeloos wegpraten.
Zij dient zich aan.

In kleine signalen. In vermoeidheid. In wantrouwen. In systemen die niet meer dragen. In mensen die afhaken. In instituties die hun vanzelfsprekendheid verliezen. In woorden die hun betekenis kwijtraken. In beleid dat niemand meer gelooft, maar iedereen nog uitvoert.

Dan begint het kijken opnieuw. Niet omdat wij zo wijs zijn. Maar omdat het oude verhaal niet meer voldoende zuurstof geeft.

Misschien is dat het moment waarin wij nu leven. Een tijd waarin veel oude zekerheden nog overeind staan, maar van binnen al hol klinken. Een tijd waarin instituties nog macht hebben, maar minder gezag. Een tijd waarin grote woorden nog worden uitgesproken, maar steeds minder mensen erdoor worden geraakt.

Dan wordt waarnemen belangrijker dan overtuigen.

Niet onmiddellijk duiden. Niet meteen moraliseren. Niet direct partij kiezen. Eerst kijken. Nauwkeurig. Eerlijk. Zonder de werkelijkheid te dwingen zich aan te passen aan onze behoefte aan rust.

Want wat werkelijk is, vraagt niet om toestemming. Het is er.
De vraag is alleen of wij nog de moed hebben het te zien.