Waar harmonie wordt nagestreefd, trek ik mij terug.
Niet omdat ik van ruzie houd. Niet omdat ik spanning romantiseer. En zeker niet omdat ik denk dat een mens gelukkig wordt van voortdurend gedoe. Maar omdat harmonie zo vaak een mooier woord is voor vermijding.
Leven is onrust. Leven is beweging. Leven is spanning.
Alles wat leeft, schuurt. Alles wat groeit, wringt ergens. Een boom breekt de grond open voordat hij zichtbaar wordt. Een kind wordt niet volwassen zonder botsing. Een mens verandert niet zonder iets achter te laten. En liefde, echte liefde, is zelden de gladde harmonie van twee mensen die elkaar nooit tegenspreken. Vaak begint liefde juist daar waar iemand eindelijk durft te zeggen: dit klopt niet meer.
Daarom wantrouw ik harmonie.
Niet de vrede na een eerlijk gesprek. Niet de stilte na een werkelijke ontmoeting. Niet de rust die ontstaat wanneer de waarheid eindelijk gezegd is. Die harmonie vertrouw ik wel. Die is verdiend.
Maar ik wantrouw de harmonie die te vroeg komt. De harmonie die ontstaat omdat niemand iets durft te benoemen. De harmonie van de nette kamer waarin alle rommel haastig in de kast is gepropt. De harmonie van families waarin alles goed gaat, zolang niemand vraagt waarom iedereen zo moe kijkt. De harmonie van relaties waarin twee mensen elkaar vasthouden, niet uit liefde, maar uit angst om te vallen.
We noemen veel angst liefde.
Dat is misschien hard gezegd, maar ik vrees dat het vaak waar is. Twee mensen kunnen jarenlang samenleven in een stil akkoord. Jij stelt geen vragen, ik ook niet. Jij raakt mijn pijn niet aan, ik laat jouw leegte met rust. Jij bevestigt mij, ik bevestig jou. En zolang niemand beweegt, lijkt het op vrede.
Tot iemand wakker wordt.
Tot iemand begint te groeien. Tot iemand iets wil zeggen wat al jaren onder het tapijt ligt. Dan blijkt dat de harmonie geen huis was, maar een decor. Mooi van voren, hol van achteren.
Ik heb mezelf er vaak genoeg op betrapt. Dat ik rust zocht terwijl ik waarheid nodig had. Dat ik vrede wilde terwijl er iets gezegd moest worden. Dat ik bleef zitten waar het stil was, terwijl ik allang wist dat het daar niet meer leefde.
Rust kan een zegen zijn. Maar rust kan ook verdoving worden.
Misschien komt mijn wantrouwen uit de generatie waarin ik ben opgegroeid. Een generatie waarin orde heilig was. Niet zeuren. Doorgaan. Fatsoen houden. Je aanpassen. De boel bij elkaar houden. Waarden hoefden niet uitgelegd te worden; ze zaten in het zwijgen.
Dat zwijgen had kracht. Dat moeten we niet te snel vergeten. Mensen die oorlog, armoede of onzekerheid hadden meegemaakt, wisten wat ontwrichting was. Zij bouwden aan structuur omdat chaos hen te dichtbij was geweest. Orde was geen bekrompenheid, maar overleving.
En toch had die orde een prijs.
Want waar alles beheerst moest worden, werd gevoel verdacht. Waar fatsoen belangrijker werd dan waarheid, raakten mensen zichzelf kwijt. Waar spanning onmiddellijk moest worden opgelost, verloor het leven zijn diepte.
Ik heb lang geprobeerd mij daarin te voegen. Meebewegen. Inpassen. Rust bewaren. Begrijpen. Verzachten. Niet te moeilijk doen. Niet te veel voelen. Niet te scherp kijken.
Maar telkens wanneer alles eindelijk in balans leek, voelde ik iets in mij sterven.
Niet dramatisch. Niet luid. Eerder als een kaars die langzaam minder zuurstof krijgt. Een deel van mij dat wilde spreken, maar zweeg. Een deel dat wilde leven, maar zich inhield. Een deel dat wist: dit is geen vrede, dit is stilstand.
En stilstand is niet hetzelfde als harmonie.
Misschien is dat wel de vergissing van onze tijd. We verwarren spanning met gevaar. We verwarren ongemak met onveiligheid. We denken dat alles wat schuurt, moet worden gladgestreken. In relaties, in organisaties, in de samenleving. We willen consensus voordat er werkelijk is gekeken. We willen verbinding voordat er waarheid is gesproken. We willen rust voordat we de moed hebben gehad om door de onrust heen te gaan.
Maar het leven laat zich niet temmen.
Wie leeft, loopt risico. Wie liefheeft, loopt risico. Wie denkt, loopt risico. Wie groeit, verstoort iets. Altijd.
Daarom is de vraag niet hoe we spanning vermijden. De vraag is of we haar kunnen verdragen zonder onmiddellijk te vluchten naar verwijt, redelijkheid, therapietaal of beleefde stilte.
Kunnen we blijven staan waar het ongemakkelijk wordt?
Kunnen we luisteren zonder meteen te repareren?
Kunnen we zeggen wat waar is, zonder de ander te vernietigen?
Kunnen we alleen zijn zonder onszelf meteen te verdoven met iemand anders?
Daar begint voor mij volwassenheid. Niet in harmonie als ideaal, maar in het vermogen om spanning te dragen. Om niet weg te lopen zodra het leven zijn tanden laat zien.
Wie harmonie zoekt, zoekt vaak veiligheid. Dat begrijp ik. Ook ik heb die gezocht. Vaak zelfs.
Maar veiligheid is niet altijd leven.
Soms is veiligheid een kamer zonder ramen. Warm, vertrouwd, overzichtelijk. Maar na een tijdje merk je dat je niet meer ademt.
Ik kies liever voor het raam dat openstaat. Ook als het tocht. Ook als er geluid binnenkomt. Ook als ik niet precies weet wat erbuiten gebeurt.
Want daar beweegt iets.
En waar iets beweegt, daar leeft het nog.