Er wordt veel te sentimenteel gesproken over hoop.
Alsof hoop iets is dat vanzelf opbloeit uit dezelfde bestuurlijke kassen waarin de huidige verstarring is gekweekt. Alsof de mensen, instituties en denkpatronen die ons in deze stroperige toestand hebben gebracht, ons er ook weer uit zullen leiden. Dat lijkt mij een vergissing.
Systemen corrigeren zichzelf zelden diepgaand. Zeker niet wanneer die correctie betekent dat zij hun eigen taal, belangen, routines en morele zelfbeeld moeten opgeven. Een bestuur dat verslaafd is geraakt aan beheersing, legitimatie en procedurele mist, gaat niet opeens ontwaken en zeggen: jongens, we hebben het verkeerd gezien, laten we weer helder leren denken. Zo werkt macht niet. Zo werken instituties niet. En zo werkt zelfbehoud al helemaal niet.
Echte vernieuwing komt meestal niet voort uit inkeer, maar uit ontregeling.
Daarom denk ik dat de meeste hoop van dit moment niet in politiek ligt, niet in beleid, en zelfs niet in cultuur, maar in iets anders: kunstmatige intelligentie.
Niet omdat AI goed is.
Niet omdat AI wijs is.
Niet omdat AI vanzelf aan de kant van de waarheid staat.
Maar omdat AI iets doet waar verstarde systemen slecht tegen kunnen: zij trekt de mist weg.
En dat is misschien wel haar grootste historische betekenis.
Zoals de Industriële Revolutie niet alleen machines bracht, maar de hele sociale orde herschikte, zo zou AI wel eens veel meer kunnen zijn dan een handige technologie. Zij kan bestaande hiërarchieën openbreken. Zij kan professionele monopolies aantasten. Zij kan tussenlagen overbodig maken. Zij kan jargon ontmaskeren. Zij kan zichtbaar maken hoeveel van onze bestuurlijke en institutionele wereld niet draait op echte prestatie, maar op omhaal van woorden, afstemming, vertraging en ritueel.
Dat is de werkelijke dreiging van AI voor het bestaande systeem.
Niet dat zij te slim wordt.
Maar dat zij te veel laat zien.
Een verstard systeem kan zich lang handhaven zolang het zijn zwakte kan verbergen achter complexiteit. Achter procedures. Achter deskundigheidstaal. Achter morele ophef. Achter eindeloze tussenlagen waar niemand nog precies weet wie waarvoor verantwoordelijk is. Zolang de burger onder de indruk blijft van de verpakking, blijft de machine draaien.
AI maakt die verpakking poreus.
Ineens wordt zichtbaar welke tekst vooral uit lege ernst bestaat. Welke procedure vooral tijd vreet. Welke tussenlaag vooral zichzelf legitimeert. Welke expert vooral herhaalt wat het systeem graag over zichzelf hoort. Welke organisatie vooral ingewikkeld oogt omdat eenvoud haar zou ontmaskeren.
Daar zit hoop in.
Niet de hoop dat AI ons gaat redden als een soort digitale messias. Dat is kinderlijk. AI is geen engel. Zij kan net zo goed worden ingezet voor controle, surveillance, propaganda en nieuwe vormen van centralisatie. Ook dat gevaar is reëel. Misschien zelfs zeer reëel.
Maar juist in die dubbelheid ligt haar betekenis.
AI is niet per se bevrijdend omdat zij goed is.
AI is potentieel bevrijdend omdat zij verstarring duurder maakt.
Zij verhoogt de prijs van traagheid.
Zij verhoogt de prijs van jargon.
Zij verhoogt de prijs van camouflage.
Zij verhoogt de prijs van bestuurlijk toneelspel.
En wat zijn vanzelfsprekendheid verliest, verliest op termijn ook zijn macht.
Dat is waarom ik denk dat de echte hoop van deze tijd niet ligt in een plotselinge morele wedergeboorte van de bestaande elite, maar in een technologische schok die haar dwingt zich opnieuw tot de werkelijkheid te verhouden.
Misschien is dat de enige echte hoop die we nog hebben.
Niet dat het systeem eindelijk tot inzicht komt.
Maar dat het zich niet langer kan verschuilen.