(Een sprookje voor wie wakker durft te worden)
Er was eens een rijk, lang en welvarend, genaamd Langwater.
Het was een vreemdsoortig rijk, want alles leek er goed te gaan, totdat men begon te zeggen dat alles wat goed leek eigenlijk slecht was. En alles wat vroeger slecht was, werd nu verheven tot ideaal.
Het volk werd geregeerd door een keizerin, Woka Maxima, bijgestaan door haar hof van Deugd. Vier edelen voerden het bevel:
Prins Diversia, die elke gedachte telde op huidskleur, geslacht of voorkeur.
Prinses Klimaatella, die de zon verbood te schijnen wegens CO₂-uitstoot.
Prins Transformatio, die mensen hielp hun ware ik te vergeten.
En Prinses Emotiana, die wetten herschreef op basis van tranen.
Over het rijk hing een zweem van vriendelijkheid, maar onder de oppervlakte was niets wat het leek. Men glimlachte met opengesperde monden, maar wie vragen stelde, werd stilletjes afgevoerd naar het Ministerie van Correctheid, gehuisvest in een doolhof van spiegels, waar de waarheid zo vaak werd herhaald tot niemand haar meer herkende.
Lang geleden had Langwater een andere heerser.
Koning Integer heette hij – een man met een luide stem, grove woorden, maar een hart dat klopte voor het volk. Hij was een bouwer. Een bruller. En hij was eerlijk. Té eerlijk.
Men zei: “Hij is een gevaar.”
Men fluisterde: “Hij is ongemakkelijk, hij maakt ruzie met de lakeien van andere koninkrijken.”
En zo werd hij verbannen. Niet met zwaarden, maar met woorden. Met rechters. Met kranten. Met beelden van hem die met woede werden bewerkt. Ze noemden hem alles wat lelijk was: tiran, leugenaar, bedreiging voor de democratie.
En het volk… slikte het. In het begin.
Maar toen begon er iets te knagen.
Boeren moesten hun akkers opgeven.
Vaders durfden hun zonen niet meer op te voeden als jongens.
Kinderen leerden wat ze mochten zijn, vóórdat ze wisten wie ze waren.
En wie een vraag stelde, werd uitgemaakt voor gevaar.
Op markten, in herbergen, bij haardvuren begon men zachtjes te mompelen:
“Zou hij het dan toch bij het rechte eind gehad hebben? Onze Koning Integer?”
De Keizerin en haar hof raakten onrustig.
Ze stuurden boodschappers uit in glanzende kleding, met woorden als “inclusie”, “veiligheid” en “bescherming”. Maar niemand voelde zich nog vrij.
En op een dag…
keerde een man terug uit de woestijn.
Zijn haar wat grijzer, zijn stem nog altijd rauw. Hij sprak:
“Ik ben geen koning. Ik ben een bouwer. Maar als jullie willen bouwen aan waarheid, aan moed, aan leven zonder maskers – dan help ik.”
Het volk juichte niet. Het sidderde.
Want het wist: waarheid is geen warm dekentje.
Het is een mes.
Maar ook een sleutel.
En het kwaad?
Het huilde in zijn paleizen van spiegels, want het wist: de leugen heeft veel gezichten, maar de waarheid slechts één.
En de moraal van dit verhaal?
Soms is een boeman gewoon een bewaker.
En wie het meest wordt gevreesd, is soms degene die ons redt.
Epiloog – De laatste spiegel
Jaren gingen voorbij in het rijk Langwater.
Het paleis van Deugd werd stiller. De trappen kraakten onder het gewicht van holle woorden.
Prins Transformatio verloor zich in zijn eigen spiegelbeeld en wist niet meer wie hij was.
Prinses Klimaatella verhuisde naar een grot om haar CO₂-voetafdruk tot nul te reduceren.
Prins Diversia begon een cursus ‘zelfontkenning voor gevorderden’, maar kon zichzelf niet vinden op het inschrijfformulier.
En prinses Emotiana… ach, zij huilde zichzelf in slaap op een matras van excuses.
De keizerin, Woka Maxima, trok zich terug in haar toren van bamboe en gerecycled papier. Ze schreef haar memoires in een taal die niemand nog verstond.
En het volk?
Dat was moe. Maar wakker.
Het keek naar elkaar, zonder filters. Zeiden: “Jij bent anders, maar niet mijn vijand.”
Men begon opnieuw te bouwen. Aan bruggen. Aan boerderijen. Aan waarheid.
En Koning Integer?
Die bleef geen koning.
Hij weigerde de kroon, maar wandelde elke ochtend langs het paleis. Hij groette de wachters, sprak met de schoenmakers, de kinderen, de lastdieren.
Soms hoorden ze hem mompelen:
“Zolang er nog spiegels zijn die niet liegen… is er hoop.”
En op een dag…
vond een meisje op het dorpsplein een oude, doffe spiegel. Ze blies het stof eraf, keek erin en zag geen filters, geen leugens, geen verhalen.
Ze zag zichzelf.
En begreep: de waarheid begint nooit met een koning.
Altijd met een mens.
Einde.