Het einde van de universiteit?


Universiteiten hebben eeuwenlang een bijzondere positie gehad in onze samenleving. Niet omdat wetenschappers altijd gelijk hebben. Niet omdat professoren betere mensen zijn. Maar omdat de universiteit bij uitstek de plek zou moeten zijn waar beweringen worden getoetst aan bewijs.

Een hypothese mag beledigend zijn. Een conclusie mag politiek ongewenst zijn. Een onderzoeker mag onaangenaam zijn. Uiteindelijk zou maar één vraag doorslaggevend moeten zijn:
Klopt het?

De affaire rond Cambridge-professor Jason Arday en onderzoeker Nathan Cofnas roept de vraag op of dat uitgangspunt nog altijd vanzelfsprekend is.

Wat gebeurde er?
Jason Arday was professor aan de University of Cambridge en kreeg internationaal veel aandacht als de jongste zwarte professor die daar ooit was benoemd.

In juli 2026 publiceerde Nathan Cofnas, postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent, ernstige beschuldigingen over Ardays academische werk. Hij presenteerde onder meer tekstvergelijkingen tussen Ardays proefschrift uit 2015 en een eerder proefschrift van een andere onderzoeker.

Het bleef niet bij een losse beschuldiging op internet.
Retraction Watch meldde vervolgens dat Times Higher Education al in 2025 onderzoek had gedaan naar mogelijke plagiaatkwesties rond Arday. Een dossier daarover was uiteindelijk niet gepubliceerd. Een wetenschapper die het materiaal voor het blad had onderzocht, stelde tegenover Retraction Watch dat er volgens hem sprake was van omvangrijk plagiaat.

Ook The Guardian onderzocht de zaak en identificeerde meer dan honderd passages met overeenkomsten tussen Ardays proefschrift en eerder academisch werk. Tegelijkertijd is het belangrijk te vermelden dat eerder onderzoek door Liverpool John Moores University niet tot de conclusie was gekomen dat Arday plagiaat had gepleegd. De beschuldigingen zijn dus niet hetzelfde als een definitief vastgesteld oordeel.

Daar bleef het eveneens niet bij.
Er ontstonden vragen over Ardays academische kwalificaties, honorary appointments en andere onderdelen van zijn professionele biografie.
Cambridge besloot op 5 augustus een onderzoek te openen naar nieuwe informatie over zijn academische kwalificaties en honorary appointments.
Arday nam vervolgens ontslag. Enkele dagen later overleed hij. Dat laatste maakt dit een tragische geschiedenis waarin terughoudendheid geboden is. Een publiek schandaal gaat uiteindelijk over mensen, niet alleen over instituties.
Maar daarmee verdwijnen de vragen over die instituties niet. Integendeel.

Cambridge stelt inmiddels zelf fundamentele vragen
Na Ardays overlijden kondigde Cambridge een onafhankelijk onderzoek aan naar de omstandigheden waaronder hij in 2022 was benoemd.
Vice-Chancellor Deborah Prentice formuleerde het opvallend scherp. Zij schreef dat er binnen en buiten Cambridge zorgen bestonden over Ardays benoeming en dat zij die zorgen deelde.
De universiteit gaat onderzoeken wat er bij die benoeming is gebeurd en wil vervolgens ook de procedures voor senior academische benoemingen herzien. Cambridge spreekt inmiddels expliciet over het belang van academic excellence, merit, fairness and due process.
Dat zijn geen woorden van een universiteit die denkt dat er niets aan de hand is.
Maar hier begint het interessante gedeelte.

Wat gebeurt er met degene die de vragen stelde?
Nathan Cofnas is geen onomstreden wetenschapper. Integendeel. Zijn opvattingen over ras, intelligentie en erfelijkheid hebben eerder tot forse conflicten geleid. Zijn positie bij Emmanuel College in Cambridge eindigde in 2024 na controverses over zijn publieke uitspraken. Ook zijn aanstelling in Gent leidde vanaf het begin tot protest.
Dat mag allemaal worden meegewogen wanneer we Cofnas beoordelen.
Maar het beantwoordt één vraag niet:
Had hij in deze specifieke zaak gelijk?

Dat is uiteindelijk de academische vraag. Een wetenschapper met verwerpelijke opvattingen kan een correcte observatie doen.
Dat onderscheid zou aan een universiteit bijna heilig moeten zijn.
En juist daarom is de reactie van de Universiteit Gent interessant.

De Universiteit Gent grijpt in
Op 19 augustus publiceerde UGent een verklaring, ondertekend door rector Petra De Sutter en vicerector Herwig Reynaert.
Daarin benadrukte de universiteit haar verzet tegen discriminatie, haat en racisme. Tevens stelde zij veel belang te hechten aan academische vrijheid en een open academisch debat, ook wanneer standpunten controversieel zijn.
Daarna volgde echter een belangrijke toevoeging:
academische vrijheid is niet onbeperkt en kan worden begrensd om de rechten van anderen te beschermen.

De universiteit meldde vervolgens dat zij de recente publieke uitspraken van haar postdoctoraal medewerker over de zaak-Arday zeer ernstig nam en passende stappen zou ondernemen. Cofnas werd daarna geschorst in afwachting van een disciplinair onderzoek.
Misschien heeft UGent daarvoor uitstekende redenen. Misschien heeft Cofnas grenzen overschreden die niets te maken hebben met het naar buiten brengen van mogelijke academische misstanden.
Dat onderzoek moet worden afgewacht. Maar we mogen ondertussen wel vragen stellen. Sterker nog: een universiteit zou vragen stellen moeten aanmoedigen.

Welke boodschap geeft deze affaire?
Wat ziet een onderzoeker die deze geschiedenis volgt?
Ziet hij een systeem waarin iemand mogelijke academische misstanden kan signaleren, waarna universiteiten onafhankelijk onderzoeken of zijn beweringen kloppen?
Of ziet hij iets anders?
Ziet hij dat degene over wie jarenlang mogelijk ongemakkelijke informatie bestond carrière kon maken binnen enkele vooraanstaande universiteiten, terwijl degene die de kwestie publiek naar buiten bracht korte tijd later zelf onderwerp werd van een disciplinair onderzoek?
Is dat toeval?
Zijn het twee volledig losstaande zaken?
Of zegt het iets over de incentives binnen de moderne universiteit?

Wat gebeurt er wanneer de boodschapper ons niet bevalt?
Dit lijkt mij misschien wel de belangrijkste vraag uit de hele affaire.
Stel dat Cofnas precies dezelfde documenten had gepubliceerd, maar politiek progressief was geweest. Was de reactie dan hetzelfde geweest?
We weten het niet.
Stel dat Arday een conservatieve witte professor was geweest en dezelfde vragen waren gerezen over zijn proefschrift, academische kwalificaties en professionele biografie.
Was de institutionele reactie dan hetzelfde geweest? Ook dat weten we niet.
Maar waarom zouden we dergelijke vragen niet mogen stellen?
Universiteiten zeggen diversiteit belangrijk te vinden. Dat kan een legitiem doel zijn. Maar wat gebeurt er wanneer diversiteit, representatie of maatschappelijke impact niet langer aanvullende criteria zijn, maar mogelijk invloed krijgen op de manier waarop academische kwaliteit wordt beoordeeld?
Kunnen universiteiten daar nog onbevangen naar kijken?

Is dit één incident?
Misschien is de affaire-Arday uitzonderlijk. Dat is goed mogelijk. Misschien blijkt uit de onderzoeken dat Cambridge een geïsoleerde reeks fouten heeft gemaakt. Maar er is ook een ongemakkelijkere mogelijkheid.

Is dit een patroon dat we kunnen doortrekken naar een groter deel van de wetenschappelijke wereld?

Zijn universiteiten geleidelijk instellingen geworden waarin niet alleen wordt gevraagd of iets waar is, maar ook of een conclusie sociaal wenselijk is?
Worden bepaalde hypotheses gemakkelijker onderzocht dan andere?
Worden sommige resultaten gemakkelijker gepubliceerd?
Worden bepaalde onderzoekers strenger beoordeeld omdat hun conclusies politiek ongewenst zijn?
En worden andere onderzoekers juist minder kritisch bekeken omdat hun profiel of onderzoeksagenda uitstekend aansluit bij de waarden die een universiteit wil uitstralen?
Ik beweer niet dat dit zo is.
Ik vraag of we nog bereid zijn het te onderzoeken.

Van wetenschap naar subjectivisme
Hier raakt deze affaire aan een veel fundamenteler probleem.
De ongemakkelijke vraag is of we hier iets zien dat veel breder speelt: vervaagt in onze instituties langzaam het onderscheid tussen een feit en de morele waardering van dat feit?
Dat zien we niet alleen binnen de wetenschap.
We zien het bij discussies over identiteit.
Bij sekse en gender.
Bij historische schuld.
Bij discriminatie.
Bij rechtspraak.
Bij maatschappelijke ongelijkheid.
Steeds vaker lijkt persoonlijke ervaring een bijzondere epistemische status te krijgen: dit is mijn waarheid.
Persoonlijke ervaring is belangrijk. Maar bestaat er zoiets als mijn waarheid wanneer twee uitspraken elkaar feitelijk tegenspreken?
Daarvoor hebben we wetenschap uitgevonden.
We verzamelen bewijs.
We formuleren hypotheses.
We proberen ze te weerleggen.
We laten anderen onze resultaten controleren.
En uiteindelijk accepteren we dat de werkelijkheid niet verplicht is rekening te houden met onze overtuigingen.

Wat gebeurt er wanneer feiten kwetsend worden?
Een van de moeilijkste vragen voor de moderne universiteit is daarom:
Wat doen we wanneer een feitelijke bewering als kwetsend wordt ervaren?

Het antwoord kan niet simpelweg zijn dat kwetsende beweringen waar zijn. Natuurlijk niet. Veel racistische, seksistische en andere discriminerende beweringen zijn aantoonbaar onzin.
Maar het omgekeerde kan evenmin het uitgangspunt zijn. Een bewering wordt niet onwaar doordat zij kwetsend is. Dat onderscheid is essentieel. Want zodra maatschappelijke wenselijkheid een criterium wordt voor de waarheid van een bewering, veranderen we de betekenis van wetenschap.
Dan vragen we niet langer:
Wat is waar?
Maar:
Welke waarheid vinden wij acceptabel?
En dat is iets totaal anders.

Kan de universiteit zichzelf nog corrigeren?
Misschien levert de affaire-Arday uiteindelijk juist bewijs dat het systeem wél werkt.
Cofnas publiceerde zijn beschuldigingen. Journalisten onderzochten ze.
Cambridge stelde een onderzoek in. De universiteit gaat haar benoemingsprocedures evalueren.
Dat zou je kunnen zien als zelfcorrectie. Maar ook dan blijven er vragen.
Waarom was externe druk daarvoor nodig?
Welke informatie was eerder beschikbaar?
Waarom werden bepaalde signalen niet eerder opgepakt?
Welke rol speelden reputatie, identiteit en institutionele belangen?
En misschien de moeilijkste:
zouden dezelfde fouten ook gemaakt zijn bij een kandidaat die minder goed paste bij het verhaal dat de universiteit graag over zichzelf vertelt?

Het echte gevaar
Het gevaar is volgens mij niet dat universiteiten links zijn.
Universiteiten zijn altijd omgevingen geweest waarin bepaalde politieke overtuigingen vaker voorkomen dan andere.
Het gevaar ontstaat wanneer een politieke of morele overtuiging verandert in een epistemische regel.
Wanneer identiteit invloed krijgt op de geloofwaardigheid die we iemand vooraf toekennen.
Wanneer intenties belangrijker worden dan resultaten.
Wanneer gekwetstheid een argument wordt tegen onderzoek.
Wanneer reputaties moeten worden beschermd tegen feiten.
Wanneer kritiek alleen welkom is zolang zij afkomstig is van de juiste persoon.
Dan hebben we geen probleem van links tegenover rechts. Dan hebben we een probleem met het fundament van de universiteit zelf.

Misschien moeten we daarom andere vragen stellen
Niet:
Is Nathan Cofnas een goed mens?
Maar:
Kloppen zijn feitelijke beweringen?
Niet:
Was Jason Arday een inspirerend persoon?
Maar:
Voldeed zijn academische werk aan de standaarden die Cambridge van iedere professor mag verlangen?
Niet:
Heeft Cambridge goede bedoelingen met diversiteit?
Maar:
Zijn bij academische benoemingen voor iedereen dezelfde kwaliteitseisen toegepast?
Niet:
Mag UGent grenzen stellen aan het gedrag van medewerkers?
Natuurlijk mag dat.
De vraag is:
Welke grens heeft Cofnas precies overschreden, en zou die grens voor iedere onderzoeker op dezelfde manier zijn toegepast?
En uiteindelijk:
Is wat we hier zien een uitzonderlijke ontsporing, of een symptoom van iets groters?
Want als universiteiten niet langer de instituties zijn waar ongemakkelijke feiten veilig kunnen worden onderzocht, wie gaat dat dan nog doen?
En als we het zelfs niet meer eens kunnen worden over de vraag hoe we vaststellen wat waar is, hoe voeren we dan nog een maatschappelijke dialoog?
Misschien is dat daarom de belangrijkste vraag die deze affaire oproept. Niet of Cambridge of Gent hier fout zit, want daarvoor lopen nog onderzoeken. Maar of universiteiten nog voldoende ruimte bieden voor de ongemakkelijkste vraag van allemaal: wat als het bewijs ons brengt bij een conclusie die we liever niet zouden horen?