We denken vaak dat we reageren op de wereld zoals die is. Maar van psycholoog Albert Ellis leerde ik dat dit een illusie is: mensen handelen niet naar feiten, maar naar hun overtuigingen over die feiten. Hij maakte daarbij een onderscheid dat vandaag de dag urgenter voelt dan ooit. Rationele overtuigingen zijn flexibel en toetsbaar; ze buigen mee als de werkelijkheid verandert. Irrationele overtuigingen daarentegen zijn van beton: ze zijn absoluut, moreel geladen en immuun voor elk tegenbewijs.
Sinds dit inzicht kijk ik anders naar de politiek. Wat mij steeds vaker opvalt, is dat een groot deel van het bestuur niet faalt door kwade opzet, maar door deze “betonnen” overtuigingen. Men is niet dom, maar men is overtuigd. En wie eenmaal heilig overtuigd is, ervaart toetsing aan de feiten niet als een noodzaak, maar als een aanval.
De droom als beleid
Neem een stad als Amsterdam. Jarenlang is er bestuurd vanuit prachtige idealen over inclusiviteit, duurzaamheid en gelijkheid. Het zijn warme woorden, maar de uitvoering ontspoort. Of het nu gaat om de woningnood, de veiligheid op straat of bestuurlijke chaos: bijsturen gebeurt nauwelijks. Want bijsturen zou betekenen dat je erkent dat het uitgangspunt – de droom – misschien niet klopt. En dat mag niet.
Hetzelfde zie je terug in het klimaatbeleid. Er worden miljarden geïnvesteerd om effecten te bereiken die op mondiale schaal statistisch verwaarloosbaar zijn. De cijfers doen er echter nauwelijks toe; het gaat om het signaal en het morele gelijk. Wie vraagt naar de proportionaliteit of de effectiviteit, krijgt geen inhoudelijk antwoord, maar wordt moreel gewogen. Dat is geen rationeel bestuur meer, dat is symboliek verheven tot beleid.
Wat deze dossiers met elkaar gemeen hebben, is niet de inhoud, maar het ontbreken van een corrigerend mechanisme. Beleidsdoelen worden moreel gedefinieerd, maar zelden operationeel geëvalueerd. Er zijn plannen, maar geen eerlijke terugkoppeling. Geen moment waarop expliciet wordt gevraagd: werkt dit nog, en zo niet, durven we dan terug?
In plaats daarvan ontstaat een bestuurlijke reflex: tegenvallende resultaten leiden niet tot bijsturing van het beleid, maar tot intensivering ervan. Meer geld, meer regels, meer communicatie. Het beleid zelf blijft onaantastbaar, omdat het is verankerd in overtuiging in plaats van in toetsing.
De kille werkelijkheid versus de maakbare mens
Rechts krijgt vaak het verwijt in een kille werkelijkheid te leven. Maar die werkelijkheid bestaat nu eenmaal uit schaarste, menselijke beperkingen en onvoorziene neveneffecten. Bestuur dat dit erkent, is misschien minder verheven, maar wel corrigeerbaar. Het kan falen toegeven en de koers wijzigen wanneer dat nodig is.
Links lijkt daarentegen steeds vaker te besturen vanuit een gedroomde wereld. Een wereld waarin de mens maakbaar is, systemen blind gehoorzamen en de morele juistheid van een plan belangrijker is dan het uiteindelijke resultaat. Zolang de intentie zuiver is, wordt een tegenvallende uitkomst geslikt als een noodzakelijk offer.
Met ‘links’ bedoel ik hier overigens geen homogeen kamp van kiezers of individuen. Het gaat mij om een dominant beleidsdenken dat zich in bestuurlijke instituties heeft vastgezet. Een manier van kijken waarin morele intentie zwaarder weegt dan toetsbare uitkomst, en waarin twijfel wordt gezien als verraad in plaats van als noodzakelijke bestuurlijke deugd.
De rekening
Ellis was onverbiddelijk: irrationele overtuigingen leiden onherroepelijk tot slecht functionerend gedrag. Dat geldt voor individuen, maar zeker ook voor het landsbestuur. Dit is geen pleidooi tegen idealen; zonder idealen is er geen vooruitgang. Maar idealen die niet meer mogen botsen met de feiten, veranderen in dogma’s. En dogma’s zijn gevaarlijker dan cynisme.
De echte scheidslijn in onze politiek loopt niet tussen links en rechts. Die loopt tussen bestuur dat bereid is te leren van de werkelijkheid en bestuur dat die werkelijkheid negeert. Wie in een droom leeft, schrikt vroeg of laat wakker. Meestal is het de rekening die ons wekt.