In het Brabantse dorp Welgelegen wilde iedereen een goed leven. Betaalbare huizen, een werkende huisartspraktijk en op vrijdag iets uit de frituur. Daarover bestond geen verschil van mening.
Bij de beweging Brabant Eerst bestond wel een aanvullende voorwaarde: het mocht met de Belgen onder geen beding goed gaan.
“Uiteraard willen wij dat onze kinderen gelukkig worden”, zei voorzitter Henk tijdens de ledenvergadering. “Maar je moet het grotere plaatje blijven zien.”
Het grotere plaatje hing achter hem. Het was een kaart zonder België.
Op een avond kwam iemand met een voorstel voor een gezamenlijk bedrijventerrein aan de grens. Brabantse ondernemers zouden er geld verdienen. Belgische ondernemers ook.
Daar zat het probleem. “Hoeveel gaan wij erop vooruit?” vroeg Henk. “Twintig procent.” “En zij?” “Ook twintig procent.” Henk schoof het rapport van zich af. “Dus per saldo niets.”
De penningmeester had een alternatief. Als ze de toegangsweg blokkeerden, zouden de Belgische bedrijven omzet verliezen. De Brabantse bedrijven zouden failliet gaan, maar dat kwam doordat die dichter bij de blokkade lagen.
Het voorstel werd aangenomen. Eindelijk lag er een plan met een duidelijke visie.
Niet iedereen begreep de koers. Anja, die haar baan was kwijtgeraakt, vroeg of de weg misschien weer open kon. “Mijn dochter zoekt werk.” Henk keek haar aan met het geduld van iemand die dit soort oppervlakkigheid vaker had meegemaakt. “Mijn dochter ook. Denk je dat jij de enige bent die offers brengt?” Zijn dochter studeerde in Utrecht. Maar emotioneel zat ze midden in het conflict. Anja hield vol. Wat schoot haar dochter ermee op dat een meisje in Turnhout óók geen baan kon vinden?
Het werd stil.
De secretaris noteerde dat Anja zich onvoldoende verbonden voelde met Brabant. Haar vraag kwam niet in de notulen.
De beweging had gelukkig ook intellectuelen.
Professor Van Gompel kon uitstekend uitleggen waarom samenwerking onmogelijk was. Als de Belgen een voorstel afwezen, bewees dat hun vijandigheid. Als ze het aannamen, was het een list.
Toen een Belgische burgemeester gratis pompen aanbood tijdens een overstroming, waarschuwde hij voor de normalisering van droge voeten. “Je moet je afvragen welk verhaal je legitimeert door zo’n pomp te accepteren.” De inwoners kregen zandzakken. Die moesten ze zelf vullen, want het zand kwam normaal gesproken via de afgesloten weg. Van Gompel schreef er een essay over. Het verscheen op glanzend papier.
Na een paar jaar waren de winkels dicht en was het zwembad leeg. De beweging groeide.
Dat leek tegenstrijdig, maar Henk legde het helder uit: hoe slechter het met Brabant ging, hoe noodzakelijker Brabant Eerst werd.
Een journalist vroeg of de strategie misschien niet werkte. “U ziet de pijn”, antwoordde Henk. “Wij zien hoeveel pijn er al is geïnvesteerd.” Stoppen zou betekenen dat al die offers voor niets waren geweest. Daarom moesten er nieuwe offers komen. Voor de oude.
Achter in de zaal zat Jan, die al twintig jaar folders rondbracht. Hij wist inmiddels dat de cijfers niet klopten. Maar zijn vrienden zaten hier. Zijn broer zat in het bestuur. Hij had zijn buurman een verrader genoemd omdat die in Antwerpen ging werken. Hij kon moeilijk opstaan en zeggen dat die buurman misschien gewoon een hypotheek had. Dus klapte hij.
Op een avond stelde de jeugdafdeling een lastige vraag. “Stel dat we ooit klaar zijn met de Belgen. Wat doen we dan?”
Voor het eerst leek Henk onzeker. Er zou dan natuurlijk tijd zijn voor woningen. Onderwijs. Misschien moest iemand uitleggen waar het geld was gebleven. En zonder buitenlandse tegenwerking werden de jaarverslagen wel erg persoonlijk.
De secretaris boog zich naar hem toe en fluisterde iets. Henk ontspande. “Limburg.” Er ging een opgeluchte zucht door de zaal. Natuurlijk. Limburg. Ze hadden het geluk even gevaarlijk dichtbij laten komen.
De volgende ochtend hing er een nieuwe poster voor het dichtgetimmerde buurthuis:
ONZE KINDEREN VERDIENEN EEN TOEKOMST.
Daaronder, in kleinere letters:
Zodra de buren er geen meer hebben.